'Mijn werk is niet creatief, wel zwaar'

Wat beweegt de Europarlementariër? Hij is een politicus zonder macht, verdiept zich in ingewikkelde Europese wetgeving maar heeft over de politieke koers van de Europese Unie nauwelijks zeggenschap.

STRAATSBURG, 2 JUNI. De Griekse Europarlementariër Panayotis Lambrías (1926) noemt zichzelf “Europeaan in hart en nieren”. Maar zijn land heeft zich de laatste maanden in de EU niet populair gemaakt. Het chaotische Griekse voorzitterschap heeft veel kritiek gekregen en de eigengereide handelsboycot tegen Macedonië heeft voor grote verontwaardiging onder de EU-partners gezorgd. Er wordt bovendien argwanend gekeken naar de niet onvriendschappelijke verhouding tussen de Grieken en hun Servische orthodoxe geloofsgenoten.

Lambrías die Griekenland als “eén van de meest Europese landen in de Unie” betitelt, wijt de kritiek aan “arrogantie” in de EU-lidstaten. “Als we een groot rijk land geweest waren, had men ons veel beter begrepen.” Lambrías verbleef tijdens de militaire dictatuur in Griekenland als journalist in Londen, werd na het herstel van de democratie in Griekenland woordvoerder van de Griekse regering en is nu al tien jaar Europarlementariër voor de conservatieve partij ND.

Lambrías is moe. Hij heeft vier dagen achtereen in Straatsburg moeten vergaderen en plenaire zittingen moeten bijwonen. Daarbij heeft hij enorme afstanden moeten afleggen want het Straatsburgse parlementsgebouw is een doolhof van wandelgangen. “Eerlijk gezegd is het werk in Straatsburg niet buitengewoon creatief. Maar het is wel zeer vermoeiend. Ik begin om zeven uur en ben pas klaar na twaalven. Ik heb de hele dag haast. Bijeenkomsten van de comités, bezoeken van staatshoofden en ik moet altijd rennen om de stemming niet te missen.”

“Het werk in het Europarlement wordt steeds zwaarder”, zucht hij. “Sinds Maastricht zijn onze wetgevende bevoegdheden toegenomen. Dat betekent: extra vergadersessies en meer discussie. Vroeger was alles veel kalmer.” Maar Lambrías doet zijn best zo vaak mogelijk aanwezig te zijn. “Als je in contact wilt komen met belangrijke persoonlijkheden, moet je de lunches en diners bijwonen. Een jaar geleden was de Russische president Jeltsin bijvoorbeeld hier. Daar wilde ik bij zijn.”

Voelt Lambrías zich machteloos als Euro-afgevaardigde? “Ja, vaak wel. Maar stap voor stap voel ik mij sterker. In theorie heb ik geen macht, maar in de praktijk wel. Het feit dat het Europese Parlement meer dan driehonderd miljoen EU-inwoners vertegenwoordigt, geeft het glamour.” Lambrías is er geen voorstander van de bevoegdheden van het Europarlement al te drastisch uit te breiden. Er moet rekening gehouden worden met de gevoelens van de parlementsleden thuis. “In de politiek moet je realistisch zijn. Als onze macht ineens te groot wordt, zien de nationale parlementen dat als een bedreiging.” Lambrías vindt het geen schande in het Europarlement voor nationale economische belangen op te komen. Hij behartigt daarmee immers ook het Europese belang: de lidstaten van de Unie moeten zich economisch zo evenredig mogelijk ontwikkelen. Daarvoor zijn de structuur- en cohesiefondsen in het leven geroepen waar Griekenland relatief grote bedragen uit krijgt toegewezen.

Lambrías stoort zich er niet aan dat zijn politieke invloed marginaal is. Hij heeft zich bij zijn anonieme bestaan als Euro-afgevaardigde neergelegd en geeft de schuld daarvan niet zoals sommige andere collega's aan de pers die geen aandacht aan hem schenkt. “Als journalist weet ik dat een politiek voorstel met nieuwswaarde echt wel in de krant komt. Wetenschappers die in een laboratorium werken zonder resultaat, hoor je ook niet klagen over onvoldoende publiciteit.” Lambrías is blij met zijn onafhankelijkheid. “Bij onze partij in Griekenland moet iedereen zich voegen naar de fractiediscipline. Hier ben ik vrij. Ik representeer niet mijn partij, niet mijn land, maar mijzelf.”

Waar het “etnische kwesties” betreft, voelt Lambrías zich in de EU geïsoleerd. Griekenland wordt bedreigd door een buurland met imperialistische neigingen en niemand wil dat begrijpen, zo luidt zijn samenvatting van het probleem met de voormalige Joegoslavische republiek. “Over Macedonië bestaat in Europa veel onwetendheid”, zegt hij. “Macedonië maakt aanspraak op ons grondgebied. Er worden landkaarten uitgegeven waar Thessaloniki op staat tot aan de Olympus. Ik was woedend toen ik zag dat dat kleine landje ons symbool van Vergina had afgepakt.”

Griekenland wordt niet begrepen omdat de overige EU-landen zich “superieur” voelen, zegt Lambrías. “We zijn een klein land en vragen om extra economische hulp. Daarom is het makkelijk om ironisch te doen over ons probleem. Als Griekenland rijk was geweest en geen behoefte aan hulp van de gemeenschap had gehad, was de reactie heel anders geweest.”

Er bestaat in de EU een aantal “misverstanden” over Griekenland, zegt Lambrías. “Omdat wij dezelfde orthodoxe religie hebben als de Serviërs, worden wij ervan verdacht op goede voet met hen te staan. Men voelt zich schuldig over de oorlog in Joegoslavië en daarom wordt een zondebok gekozen. 'De kwade Serviërs roeien de moslims uit en die Grieken zijn ermee bevriend', zo simpel wordt erover gedacht. Niemand wil begrijpen dat wij veel meer onder die oorlog lijden dan de andere EU-landen.”

Griekenland draagt de Europese integratie een warm hart toe maar door de kritiek is de Euro-scepsis toegenomen. “Wij zijn grote voorstanders van een federaal Europa. Maar we vragen ons nu wel af: waar is de Europese solidariteit gebleven?”