Kinderbescherming

In W&O van 12-5 schrijft Paul Schnabel: 'Ik vraag me weleens af of het echte probleem van de kinderbescherming niet hierin bestaat dat kinderen niet te beschermen zijn, behalve dan door hun ouders. Doen die dat niet, dan is er weinig meer te redden... Heropvoeding bestaat niet.'Het merendeel van de 'kinderbeschermingskinderen' heeft een levensloop achter zich, die gekenmerkt wordt door verwaarlozing en niet zelden mishandeling. Dat heeft hun persoonlijke ontwikkeling schade berokkend, zodanig dat er ernstige gedragsstoornissen zijn: moeilijke kinderen, negativistisch in hun gedrag, zowel naar volwassenen als leeftijdgenootjes.

Als medewerker van een kinder- en jeugdpsychiatrisch centrum ben ik vertrouwd met hun verhaal en hun veelal metersdikke dossiers. Inderdaad blijkt de treurigheid van hun levensloop niet op te houden, wanneer zij in handen van onze maatschappelijke instituties vallen, van de raad van de kinderbescherming, de voogdijvereniging, het medisch kindertehuis of het BJ-internaat. Het is niet ongewoon als zij van instelling naar instelling worden gestuurd, waarbij zij gaandeweg het label 'zeer moeilijk opvoedbaar' krijgen opgeplakt. Hun voogden (soms belast met een dertigtal kinderen) zijn onvoldoende beschikbaar, diagnostiek wordt vaak achterwege gelaten, bezoekregelingen gewijzigd, opvoedingsregimes bijgesteld.

Is het dan gerechtvaardigd om te stellen dat 'heropvoeding niet bestaat'! Met de huidige institutionele verkokering en loochening van het feit dat het om een in aantal toenemende populatie gaat, lijkt dat inderdaad onontkombaar.

Maar we mogen niet vergeten dat in het recente verleden pogingen tot behandeling zijn gedaan, gekenmerkt door een grotere continuiteit in zorg en beleid, die betere perspectieven bood. Anno 1994, met een deregulerende, bezuinigende en tegelijkertijd oekazes uitvaardigende overheid is dat niet mogelijk en voltrekt zich te vaak tussen instanties een beschamend gekrakeel over verantwoordelijkheidsgebieden en modieuze behandelprotocollen. Verwaarlozing en discontinuiteit wordt geen halt toegeroepen, maar juist geintensiveerd.

Om de reikwijdte van problematiek te overzien dient men zich te realiseren dat de rechtspositie van het kind ten opzichte van diens ouders, wanneer deze laatsten de problematiek ontkennen, uitgesproken zwak is. De consequentie hiervan is dat niet alleen zeer ernstige, maar ook bewijsbare feiten nodig zijn alvorens de rechter het kind gedwongen de jeugdhulpverlening in stuurt.

Een tweede kanttekening bij Schnabels stelling betreft de betekenis van het ouderschap: 'Doen zij dit niet (het kind beschermen) dan is er weinig meer te redden'. Wat mij betreft mogen alle postbus 51-spotjes van de komende jaren deze boodschap tot inhoud hebben. Het gezin als hoeksteen van de samenleving heeft afgedaan, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat - ondanks de zestigerjaren kritiek op de bekrompenheid van het vijftigerjaren gezin - tot op heden geen alternatief is gevonden voor de persoonlijke opvoedingsbetrokkenheid van beide ouders.

Mochten ouders toch niet in staat zijn hun kind op te voeden, dan dient het kind verzekerd te zijn van een alternatief, dat het oorspronkelijke model zoveel mogelijk benadert. Voor de kinderen, die in hun jeugd al getraumatiseerd zijn zal ondanks al onze beleidsnotities dat de toetssteen voor de toekomst zijn.