Kamer beslist later over onderzoek naar politie

DEN HAAG, 2 JUNI. De Tweede Kamer neemt pas na de zomer een besluit over de aard van het parlementaire onderzoek naar de opsporingsmethoden van de politie.

Een werkgroep van vijf Kamerleden onderzoekt de komende maanden hoe het parlement het politiewerk kan controleren zonder dat informatie over opsporingsmethodes en geheime operaties in de openbaarheid worden gebracht en bij criminele organisaties bekend raakt. De Kamer wil weten welke opsporingsmethoden de politie in de praktijk hanteert, maar die informatie kan in het belang van het politiewerk niet altijd volledig worden gegeven. Dat bleek onder meer tijdens het debat over de IRT-affaire, waarbij de Kamer in het duister tastte over de werkelijke achtergronden van de werkmethoden van de politie.

De werkgroep uit de Tweede Kamer voert de komende maanden gesprekken met de ministers van justitie en binnenlandse zaken, met rechters en officieren van justitie om uit te vinden hoe zij het onderzoek het beste kan aanpakken. Bij een parlementaire enquête worden de ondervraagden onder ede gehoord, bij een gewoon onderzoek niet. Tijdens het eerste Kamerdebat over de IRT-affaire, twee maanden geleden, werd besloten een onderzoek te houden. Over de aard ervan sprak de Kamer zich toen niet uit.

De vijf Kamerleden van de fracties van PvdA, CDA, VVD, D66 en GroenLinks moeten de Tweede Kamer voor 1 september advies geven. Behalve de recherche komen ook de criminele inlichtingendiensten (CID's) van de politiekorpsen aan de orde in het vooronderzoek. Het openbaar ministerie blijft erbuiten.

Voor de VVD neemt het nieuwe Kamerlid A. van der Stoel, voormalig raadslid in Amsterdam, zitting in de werkgroep. D66 vaardigt het nieuwe fractielid T. de Graaf af, die zich tot voor kort op het departement van binnenlandse zaken bezighield met politiezaken. GroenLinks wordt vertegenwoordigd door M. Rabbae. De fracties van PvdA en CDA hadden vanmiddag nog geen besluit genomen wie in de werkgroep zitting zullen nemen.