Gedogen is voor slechte regenten

AMSTERDAM. In de hoofdstad zijn al vanaf Pasen de terrassen bezet met bierdrinkers en wietrokers uit alle windstreken. De souvenirhandel kan de Delftsblauwe windmolens en aardewerken chillums nauwelijks aanslepen. In de sigarenwinkels van de binnenstad liggen waterpijpen, weegschalen en jointvloeitjes naast de gematteerde bolknak en de halfzware. De parkeerpolitie bij het Leidseplein biedt tegen woekerprijzen bevrijding uit de wielklem aan, maar in het oude politiebureau, dat veel groter is en veel makkelijker te vinden, is voor een schappelijk bedrag verruiming van de geest te krijgen. Ook het Hasjmuseum op de Oudezijds heeft al een aardig deel van de vijftigduizend bezoekers die er per jaar binnenkomen verwerkt en hun op aanschouwelijke wijze duidelijk gemaakt op welke manieren je de kostbare hasj beter niet kunt smokkelen (in de hak van een schoen, een tennisbal of een kunstpenis) en dat het bovendien een veel beter idee is om de hennepplanten zelf te kweken. Achterin het museum is een ruime proefopstelling te vinden waar het jonge gewas in hydrocultuur en onder het licht van metalhide- en sodiumlampen bezig is snel oogstrijp te worden. De SensiSeed Company (zestig werknemers, hoofdkantoor in Rotterdam) biedt bij de uitgang van de tentoonstelling zakjes met zaad aan voor de beginnende kweker. De soft drugs maken van Amsterdam een toeristische attractie van mondiaal belang.

Je zou dus bijna vergeten dat het bezit van cannabisprodukten in hoeveelheden van meer dan dertig gram in Nederland bij de wet is verboden. Een kniesoor die daar op let. Hadden we niet lang geleden met zijn allen afgesproken de hasjhandel te gedogen?

Reijer Elzenga is zo'n kniesoor. Noodgedwongen. En niet alleen kniest hij, hij is zelfs woedend. De voorzitter van de onlangs opgerichte Bond voor Cannabis Detaillisten (BCD) is eergisteren veroordeeld tot twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en vierduizend gulden boete wegens het voorhanden hebben van bijna een kilo hasj in één van de drie coffeeshops die hij beheert. “Dit is een hele gevaarlijke ontwikkeling voor onze samenleving”, meent Elzenga. Zijn 'branche' is immers goed voor zeker dertigduizend legale arbeidsplaatsen, zo heeft hij becijferd, en misschien nog wel eens hetzelfde aantal in de illegale kwekerijen, snijkamers en transportorganisaties. Met behulp van Wageningse ingenieurs is de 'nederwiet' van een amateuristisch surrogaatprodukt uitgegroeid tot de beste soft drug ter wereld. Exportkwaliteit, met andere woorden. En die export komt dan ook al behoorlijk op gang. Maar welke groeisector in onze economie kan nu toch leven met een verbod op het opvoeren van de produktie of het vergroten van de handelsvoorraad?

Elzenga: “Er is niet één coffeeshop in Nederland die op een voorraad van dertig gram kan draaien. Dan zou je na iedere klant een nieuwe koerier moeten sturen. Een goedgesorteerde zaak heeft bovendien dertig à veertig variëteiten in voorraad. Toepassing van deze regel betekent een botte breuk met het beroemde Nederlandse gedoogbeleid.”

Reijer Elzenga heeft gelijk als hij vindt dat het gedoogbeleid niet valt terug te draaien. Zelfs minister Hirsch Ballin, verantwoordelijk voor de oprisping in de coffeeshop-controle, ging eind vorig jaar tijdens een Kamerdebat eigenlijk niet verder dan het uitspreken van een verbod op mediareclame voor soft drugs. Wel doen, maar niet hardop zeggen - dat is immers de basis van ons beroemde soft-drugsbeleid, en van de hele Nederlandse publieke moraal, die van de voormalige justitieminister incluis.

Je ziet het eigenlijk al aan dat vreemde woord 'coffeeshop'. Het heeft mij onlangs bijna een half uur gekost om een al wat oudere, maar beslist nog heel slimme buitenlandse dame uit te leggen dat dit geen Engels maar een Nederlands begrip is. Het betekent niet: winkel waar je koffie kunt kopen. Maar: winkel waar je verdovende middelen kunt krijgen. En soms ook vruchtensap. Coffeeshop is niet te vertalen.

“Waarom noemen jullie zo'n zaak niet gewoon hasjwinkel?” wilde de dame weten. “Je zet toch ook niet 'slager' op de gevel van een bakkerij?”

“Bakkers zijn niet verboden”, legde ik uit.

“Die coffeeshops mogen dus eigenlijk niet”, constateerde de dame.

“Coffeeshops wel. Hasjwinkels niet. Althans, je mag ze niet zo noemen.”

“Het woord coffeeshop is ingeburgerd, het is een begrip voor onze klanten geworden”, zegt Reijer Elzenga zakelijk.

De BCD-voorzitter gaat er terecht van uit, dat gedogen op den duur zou moeten leiden tot legalisering. Zo gaat het in de jaren negentig met de euthanasie, zo ging het in de jaren zeventig met de abortus en in de vorige eeuw met de katholieken. Alleen met de slavenhandel is het op de lange duur niet gelukt. Omdat de afzetmarkten op een bepaald moment geheel verdwenen.

Maar wat doe je als de afzet juist groeit en bloeit? Elzenga: “Dan moet je de zaak de-criminaliseren. Wij betalen belasting, al kunnen we onze inkoop natuurlijk niet in de boeken zetten. Mijn leveranciers willen ook best belasting betalen. Die jongens zouden hun auto's, hun huizen, hun boten en hun fabriekshallen veel liever legaal willen bezitten. Wij hebben in de afgelopen twintig jaar een schitterende bedrijfstak opgebouwd. De overheid moet ons daarvoor nu belonen.”

Onbedoeld wijst Elzenga met die woorden op een probleem dat ook de arme ex-minister van justitie zoveel zorgen baarde: de ruim vijftienhonderd coffeeshops in Nederland vormen de laatste schakel van een uitgebreid crimineel - of althans illegaal - netwerk. Het is echter een beetje vreemd als de overheid zich over het ontstaan en de groei daarvan nu opeens beklaagt. Ze had kunnen weten dat door het toelaten van de detailhandel de criminaliteit zou worden aangezogen. Wie het aantal koeien wil terugdringen, gaat toch ook niet het drinken van melk bevorderen?

De kern van het probleem zit 'm vermoedelijk in dat vreemde, halfhartige begrip 'gedogen'. Gedogen is niet hetzelfde als tolereren. Wie stelt dat we verdraagzaam moeten zijn ten aanzien van bepaalde gedragingen of uitlatingen, toont zich bereid die opvatting te verdedigen. De term gedogen legt er de nadruk op, dat de gedoger het eigenlijk niet eens is met het gedoogde en suggereert dat hij er daarom ook geen verantwoording voor hoeft af te leggen. Tolerantie hoort bij democratie, gedogen is iets voor regenten. Voor slechte regenten. Het Nederlandse soft drugs-beleid is namelijk alleen maar een succes te noemen als men bedoelt dat het betrekkelijk rustig is rond de coffeeshops. En dat de kassa rinkelt. Wie de met deze vorm van bedrijvigheid verbonden criminaliteit serieus wil bestrijden heeft slechts twee mogelijkheden: verkoop èn produktie geheel legaliseren - of overgaan tot een verbod op de hele bedrijfstak. Gedoogbeleid is geen beleid. Op den duur maakt het de moeilijkheden alleen maar groter.