DUISTER AFRIKA

In de tijd dat je nog het woord 'neger' mocht gebruiken, leerde ik een snelle test om vooroordelen te ontmaskeren. Een reiziger die vijf keer een neger de weg vraagt, en vier keer verkeerd wordt gewezen, zal tot de conclusie komen dat tachtig procent van de negers dom of onwelwillend of zelfs doortrapt is. Wie wel iets in deze redenering zag, had aanleg tot vooroordelen of foutieve generalisaties.

De moeilijkheidsgraad van de test kon worden opgevoerd door niet negers in te vullen maar een andere bevolkingsgroep, en door het aantal keren dat de vrager goede aanwijzingen kreeg, sterk te verhogen.

Vooroordelen hebben meestal een statistische basis en zijn dus een weerspiegeling van waarschijnlijkheden. Hoe meer waarnemingen, hoe groter de kans dat die waarnemingen op een bepaalde trend wijzen. De eis is wel dat die waarnemingen zo veel mogelijk onafhankelijk van elkaar gedaan worden. Als je bij voorbaat al een bepaald gedrag verwacht, vermindert de kans dat je iets anders dan het verwachte waarneemt. Juist daarin verschilt de bevooroordeelde - althans in theorie - van de onderzoeker die zich zo min mogelijk laat beinvloeden door eerdere waarnemingen. In praktijk speelt intuitie bij beiden een rol en zijn veel wetenschappelijke waarnemingen niet mogelijk zonder voor-oordeel.

Dat vooroordelen tot karikaturale generalisaties kunnen leiden is de laatste weken weer overvloedig bewezen door de reacties op de gebeurtenissen in Ruanda en door het katern over het crisisvirus van deze krant van 14 mei. Zelfs in het alleszins genuanceerde interview met professor F. van Dam (17 mei) staat er plotseling weer zo'n zinnetje: 'terwijl Afrika volkomen wegzakt'.

Het paginalange artikel van Robert Kaplan, getiteld Het Anarchistisch Pandemonium, spant hierbij de kroon. De auteur schetst daarin het portret van een door ziekten, oorlogen en vluchtelingen geteisterd Afrika waar een uitgemergelde bevolking vecht om de laatste restjes voedsel. En, zo waarschuwt hij, we zien nog slechts het begin van wat er in de volgende eeuw los zal barsten.

Ik moet bekennen dat ik mijn verontwaardiging nauwelijks kan bedwingen als ik dergelijke teksten lees. Het opsommen van tegenvoorbeelden, hoe verleidelijk ook, helpt echter weinig tegenover vooroordelen. Het hoeft geen betoog dat de Afrikaanse elite niet alleen maar bestaat uit corrupte moordenaars en dat niet iedereen in 'hutten van golfplaat ... met zwart slijm bedekt' woont.

Het heeft ook geen zin om te betogen dat sommige van de beste studenten aan onze universiteit uit Afrika afkomstig zijn, of dat in veel landen langzamerhand een middenklasse zich ontwikkelt die even actief is in allerlei buurtcommissies als in de eerste de beste Nederlandse buitenwijk. En dat in diezelfde buurten vaak een bloeiende muziekcultuur is ontstaan. Of dat ik in de twintig jaar dat ik Afrika bereis slechts zelden met werkelijk apocapyptische situaties in aanraking ben gekomen (en dat komt niet om dat ik banger uitgevallen zou zijn dan de heer Kaplan of minder bush taxis zou hebben genomen).

De anti-Afrika auteurs als Kaplan hebben natuurlijk niet helemaal ongelijk. Het is waar dat de huidige situatie in Ruanda of Liberia en het leven van kinderen in de krottenwijken van Nairobi en Lagos hemelschreiend is, en dat van de meeste ontwikkelingsprojekten weinig beklijft. Alleen is dat niet het enige wat je over Afrika kunt zeggen. Ook veel Afrikanen zijn zich maar al te goed bewust van de desastreuse effecten van bevolkingsgroei op het milieu (en staan daar niet slechts werkeloos tegenover). Ik zal de laatste zijn om de ernst van de huidige situatie te ontkennen. Maar Afrika wordt niet geholpen door het aanwakkeren van vooroordelen in het Westen.

Op allerlei manieren uit zich vandaag een groeiende anti-Afrika lobby: murwheid tegenover de beelden uit Ruanda, weerzin tegen verdere ontwikkelingshulp, discriminerende controles van zwarte reizigers op Schiphol. Een interessante vraag is: waar komen die vooroordelen vandaan? De beelden die geschetst worden - volslagen apathie, krioelende kinderen als mieren zo talrijk, stranden bezaaid met autowrakken en dode ratten - lijken op het eerste gezicht terug te grijpen op angsten uit de koloniale tijd.

Helemaal juist is dat niet, immers overbevolkte, door chronische ziekten geteisterde steden bestonden er voor 1960 nauwelijks in Afrika. Toch is de sfeer die Kaplan oproept vergelijkbaar: dat van een duister Afrika waar de de mens in een precair evenwicht met natuur leeft en de blanke voortdurend en van alle kanten wordt bedreigd.

Onthullend is de formulering: 'Wat ons nu bedreigt heeft meer weg van een oerkracht: de ongeremde natuur'. Maar met neo-kolonialisme heeft dit alles bitter weinig te maken. Integendeel: dit is geen voorbode van een beschavingsoffensief om Afrika de Westerse verlichting binnen te voeren, maar juist een poging om Afrika verder buiten te sluiten. Afrika wordt steeds meer de boze buitenwereld waartegenover het Westerse leven zich in een veilige cocon kan afspelen.

Het oplaaien van anti-Afrikaanse vooroordelen valt niet toevallig samen met een groeiende onzekerheid in de Westerse samenleving, die slechts in beperkte mate opgevangen wordt door pogingen tot 'cocooning'. Want zo beschermd en veilig is de Westerse mens natuurlijk niet. Op allerlei niveaus blijken ook in Europa overheidsambtenaren corrupt, en de meeste leiders boezemen niet meer vertrouwen in dan de verzekeringsman uit de reclamespotjes. Amerika lijkt af te glijden naar wat met recht Afrikaanse toestanden mogen heten, met zijn eigen versie van bewapende bendes, gerecruteerd uit stuurloze pubers uit eenoudergezinnen (ik weet het, ook dit is een generalisatie).

Decennia van overheidsbemoeienis kunnen niet voorkomen dat menigeen in het Westen twijfelt aan zijn toekomst. Op een dergelijke voedingsbodem gedijen anti-Afrikaanse gevoelens. Het feit dat het Verre Oosten een snelle groei doormaakt, en ook Latijns Amerika zich uit het dal heeft ontworsteld, werkt alleen maar versterkend. Het Westen heeft er baat bij Afrika af te schilderen als het summum van ellende, als het apocalyptische continent waarnaast het relatief goed toeven is. Met de nadruk op relatief. Vergeleken bij Afrika hebben we het best goed hier, is de al of niet uitgesproken gedachte.

Net zoals de Middeleeuwse mens zich verlustigde bij de gedachte aan de hel, zo griezelt de Westerling bij beschrijvingen van totaal onttakelde staten waar alleen het recht van de sterkste geldt. Voor nuances is daarin geen plaats.

Met woorden zijn deze vooroordelen moeilijk te bestrijden - daarvoor zijn ze te irrationeel. Alleen de daden en de feiten zullen tellen. De vergelijking met de investeringen die Westerse overheden in de 19e eeuw deden in hun eigen achtergebleven gebieden, dringt zich op. De wereld kan zich niet permitteren dat Afrika straks al haar vooroordelen bevestigt. Slechts een wereldwijd gedragen economisch offensief kan Afrika uit een neerwaartse spiraal van bodemuitputting en armoede bevrijden. Er is tot nu toe geen enkel bewijs dat ontwikkeling in Afrika aan andere natuurwetenschappelijke en sociaal-economische wetten voldoet dan elders. Met dat vooroordeel hoeft men alvast niet aan te komen.