'Defensie biedt onvoldoende hulp aan gewonde militairen'

DEN HAAG, 2 JUNI. Militairen met ernstig lichamelijk of geestelijk letsel als gevolg van VN-missies, kunnen niet als vanzelfsprekend rekenen op afdoende hulp van Defensie. Materiële schade wordt niet in alle gevallen vergoed en geestelijke bijstand ontbreekt geheel of wordt in handen gegeven van RIAGG's, die onvoldoende ervaring hebben met oorlogstrauma's.

Volgens de militaire vakbonden is dit het gevolg van een schemergebied tussen wat Defensie beschouwt als 'een risico van de missie' en de fout van de betrokkenen zelf. “Als je tijdens een VN-missie in het buitenland iets overkomt, met name tijdens verlofperiodes, is dat problematisch”, zegt een woordvoerder van de militaire bond voor beroepspersoneel AFMP. “Defensie is vaak van mening dat het dan je eigen schuld is. Je krijgt medische verzorging maar daar houdt het ook mee op. Terug in Nederland ben je voor alle schade verder zelf aansprakelijk.”

De AFMP heeft voor zijn leden bij een buitenlandse verzekeringsmaatschappij een regeling getroffen voor 'schemergevallen'. Volgens de VVDM zijn de regels op zichzelf duidelijk: iedere militair die in dienstverband iets overkomt heeft recht op een invaliditeitspensioen. “Maar ze doen vaak moeilijk met het erkennen van een dienstongeval”, zegt juridisch adviseur J. Peters van de dienstplichtigenvakbond VVDM.

Nog moeilijker doet Defensie volgens de VVDM met geestelijke nood van militairen die terugkeren van een VN-missie. “Er zijn gevallen bekend van jongens die gewoon in bed liggen te plassen als ze teurgkomen in Nederland. Vaak komen geestelijke klachten pas na een jaar. Het is dan heel moeilijk om je weg terug te vinden in het Defensieapparaat. Als je in een eerder stadium met klachten komt word je vaak doorverwezen naar een RIAGG, die absoluut geen ervaring heeft met oorlogstrauma's.”

Kolonel b.d. G. Kok, thans advocaat te Ermelo, noemt de afwikkeling door Defensie van slachtoffers van VN-missies “een bureaucratisch” probleem. “Defensie is traag met het bepalen van hun toekomst. Ze moeten vaak maanden wachten voordat ze horen of ze wel of niet in de organisatie kunnen blijven. Daarbij worden hun salarissen vaak gekort omdat ze voorschotten hebben opgenomen in hun standplaatsen. Die voorschotten waren noodzakelijk omdat je in het buitenland niet met gewoon geld kan betalen.”

Kok wil zich vooral inzetten voor schadeclaims voor slachtoffers bij VN-missies. “Smartgeld voor gederfde levensvreugde moet mijns inziens Defensie voor zijn rekening nemen. Defensie wil daar absoluut niet aan. Dat is vreemd, als je weet dat Defensie zelf de schade die zij lijdt door invaliditeitspensioenen aan het verhalen is op de VN.”

Volgens Peters van de VVDM wijst Defensie de schadeclaims af op grond van het principe dat zij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor de aanwezigheid van bijvoorbeeld mijnen in een gebied waarin een VN-operatie plaatsheeft en dat dienstplichtigen vrijwillig gaan. “Dat klopt, maar niemand loopt vrijwillig op een mijn”, aldus Peters.

Defensie zelf erkent dat de problematiek van oorlogsveteranen in Nederland laat onderkend is. “Maar het is niet zo dat de regelingen slecht of ontoereikend zijn”, aldus een woordvoerder. “Daar waar iemand zeven maanden op een rolstoel heeft moeten wachten zijn overduidelijk fouten gemaakt in de organisatie. Met de schadevergoedingen voor iemand die gewond raakt tijdens verlof is Defensie genereus. Smartegeld wijzen wij in beginsel af. Aan elk beroep kleven risico's, die van de militair zijn duidelijk.”