De anarchie in Rwanda onttrekt zich aan invloed van het Westen

De situatie in Rwanda is de rauwe realiteit van een arm en overbevolkt land. De beschrijving door de Engelse filosoof Hobbes van het gedrag van de mens in een ordeloze maatschappij is bijna letterlijk van toepassing op de anarchie in Rwanda. De mens gedraagt zich als een beest tegenover zijn medemensen als er geen normen en waarden meer zijn en geen gezag om die normen te handhaven. Als technisch directeur van een vestiging van een grote Nederlandse brouwerij in de Rwandese stad Gisenyi heb ik van nabij de ontwikkelingen gevolgd die leidden tot de huidige catastrofe.

De gebeurtenissen zijn in gang gezet in oktober 1990, toen een legertje Tutsi-rebellen Rwanda binnenviel. Dertig jaar eerder, toen het land onafhankelijk werd, had de Hutu-meerderheid, 85 procent van de bevolking, de Tutsi-koning verdreven en zich massaal op hun meesters van de laatste driehonderd jaar gestort. Duizenden Tutsi's werden afgeslacht, velen vluchtten naar de buurlanden Oeganda, Tanzania en Zaïre. Het waren de nakomelingen van deze vluchtelingen die Rwanda in 1990 binnenvielen.

De op 8 april van dit jaar vermoorde president Habyarimana Juvenal, een Hutu, was in 1973 door een staatsgreep aan de macht gekomen. Hij had naar het voorbeeld van veel andere Afrikaanse landen een één-partij regime gesticht, MRND (Mouvement Revolutionnaire National pour le Developpement). Tot deze omwenteling was de Tutsi-minderheid ver oververtegenwoordigd in het ambtelijk apparaat en grondbezit, zoals nu nog het geval is in het buurland Burundi. Die situatie was een bron van onrust en naijver. De Hutu-meerderheid pikte het niet dat de na de slachting overgebleven Tutsi-elite langzamerhand weer de schaarse baantjes inpikte. Habyarimana bracht het land rust door de overgebleven Tutsi's te beschermen en te discrimineren. Per decreet werd het bedrijven verboden meer dan 15 procent Tutsi's in dienst te hebben, conform de bevolkingsopbouw. De etnische achtergrond stond vermeld op de identiteitskaart van elke Rwandees. Daar kon in gehandeld worden. Sommige Tutsi's kochten een Hutu-aantekening. Er werd, verwijzend naar de verschillende lichaamslengte van de twee groepen, wel gekscherend gezegd: “dat is een lange met korte papieren”.

Gedurende ongeveer twintig jaar werd het land redelijk goed bestuurd. Het wegennet werd verbeterd, er werden geen prestigieuze projecten op touw gezet, het toerisme kwam tot bloei, de corruptie viel mee. De doodarme plattelandsbevolking kreeg het echter zwaar te verduren toen de koffieprijzen op de wereldmarkt daalden. De regering predikte verdraagzaamheid en slaagde erin aan de oppervlakte de vrede tussen de etnische groepen te bewaren, wat neerkwam op de bescherming van de Tutsi's tegen de extreme Hutu's. De dreiging van een etnisch conflict was echter steeds latent aanwezig, onder meer voelbaar in de anonieme brieven en klachten bij de overheid dat de 15 procent-regeling niet werd gerespecteerd.

In het buurland Burundi, waar de Tutsi-minderheid van 15 procent via het leger de Hutu-meerderheid onder de duim houdt, werden in 1992 na een Hutu-rebellie ongeveer 20.000 Hutu's door het leger omgebracht. In 1993 werd na drie maanden de democratisch gekozen Hutu-president van Burundi door opstandige militairen vermoord. Sindsdien is het onrustig in Burundi, wat een onmiddellijke weerslag heeft op Rwanda. Beide bevolkingsgroepen in beide landen kennen elkaar en wantrouwen elkaar diep.

Na de inval van het Rwandees Patriottisch Front (RPF) in 1990, deed de regering van president Habyarimana het uiterste om de Hutu-bevolkingsgroep in toom te houden. Waar op beperkte schaal lynchpartijen voorkwamen werden leger en politie ingezet, sommige provinciale en stedelijke bestuurders werden vanwege deze etnische onlusten in hun gebieden ontslagen. Bij vele Tutsi's werd huiszoeking gedaan, velen werden gearresteerd om terechte of vermeende collaboratie met de vijand. Sommige leden van de Hutu-elite ondersteunden de rebellie van het RPF omdat ze om uiteenlopende redenen ontevreden waren over het MRND-regime.

Onder druk van vooral de westelijke mogendheden kwam na de inval versneld een democratiseringsproces op gang in Rwanda en Burundi, terwijl in Arusha (Tanzania) vredesonderhandelingen werden gevoerd tussen de strijdende partijen in Rwanda. Het één-partijsysteem werd afgeschaft en nieuwe partijen werden opgericht. De verdeeldheid onder de Hutu-bevolking nam toe. De extreme Hutu's scheidden zich af van de partij van de president en richtten hun eigen politieke partij op. Anders dan in Zuid-Afrika was er voor de overgang van een totalitair bewind naar de democratie geen mandaat vooraf van de kiezer. Dat was geen wonder; het RPF en de ad hoc gevormde andere politieke groeperingen zouden bij verkiezingen vermoedelijk worden weggevaagd door de partij van de populaire Hutu-president. Het RPF wilde slechts een ding, de macht terug bij de Tutsi's, en had in het geheel geen belang bij verkiezingen onder internationaal toezicht.

Intussen werden begin 1993 door fanatieke Hutu's pogroms georganiseerd waartegen dit keer niet werd opgetreden. Het RPF vond daarin aanleiding zijn offensief te hervatten. Zij kreeg een veel groter territorium in handen waardoor zij haar onderhandelingspositie kon versterken. Het slecht gedisciplineerde regeringsleger had daarop geen antwoord. Het gezag van Habyarimana werd ondermijnd tijdens het vredesprocs in Arusha. De militante Hutu-partij vond dat de president teveel concessies deed aan de agressor en de andere politieke groeperingen.

Op een gegeven ogenblik moest in de brouwerij in Gisenyi door de directie elke discussie tijdens het werk over politiek worden verboden. Men ging elkaar zowat te lijf in de personeelsbussen. Langzamerhand verhevigde het wantrouwen. Het rebellenleger kreeg flinke stukken land in handen, de discipline in het leger vervaagde, de onderlinge onenigheid bij de Hutu's nam toe. De president leed aan besluiteloosheid en traineerde de onderhandelingen. De Hutu-fanaten begonnen zich hoe langer hoe meer te roeren, gematigde elementen werd het zwijgen opgelegd. Een catastrofe hing in de lucht.

Toen het presidentiële vliegtuig uit de lucht werd geschoten, barstte de bom. Het is niet van belang welke groepering de raket afvuurde. Zowel Hutu-extremisten als het RPF vonden Habyarimana een sta-in-de-weg voor hun eigen politieke ambities. De Hutu's wierpen zich onmiddellijk op de Tutsi-minderheid om eens en voor altijd het Tutsi-probleem uit de weg te ruimen. Er is niet zozeer sprake van haat als wel van angst voor elkaar. “Als ik hem of haar of dat kind nu niet onmiddellijk vernietig dan zullen zij later achter mij aankomen.” Daarom gaat het doden met een grote kilheid en onverschilligheid gepaard. Het Westen kan niet anders doen dan van afstand humanitaire hulp verstrekken. De enige andere oplossing zou zijn het gebied opnieuw te koloniseren, maar wie van de politiek verantwoordelijken in het Westen zou dat willen?