Alles verdwenen, behalve de mijten

Aan de resten van mijten kan de archeoloog Jaap Schelvis precies zien waar het kippenhok, het varkenshok en de koeiestal gestaan heeft. Ook al zijn er van deze dieren zelf geen spoor meer te vinden. Mijten zijn ook een goede indicatie voor een vroeger klimaat.

Archeologie met de stofkam.

'Entomo-archeologie' zo zou je het specialisme kunnen noemen dat van overblijfselen van insekten gebruik maakt om verdwenen milieus te reconstrueren. Grondlegger is de Engelsman G.R. Coope met diens publikatie 'The value of Quartenary insect faunas in the interpretation of ancient ecology and climate' uit 1967. Coope werkte met loopkevers (Carabidae). Zijn landgenote Susan Denford deed tien jaar later iets dergelijks met de resten van mijten (Acari).

Halverwege de jaren tachtig kwam deze techniek naar Nederland en in 1992 promoveerde dr. J. Schelvis aan het Biologisch Archeologisch Instituut op acaro-archeologie, een specialisme binnen het specialisme dus. Na 1992 heeft Schelvis zijn werkterrein verruimd met onderzoek naar luizen en vlooien.

Parasieten

Mijten zijn meestal tussen de 0,1 en 1 millimeter groot. Ze zijn er in meer dan 30.000 soorten. Mijten hebben alle mogelijke milieus gekoloniseerd: van poolgebied tot tropisch regenwoud, van diepzee tot hooggebergte. De meeste mijten leveren een nuttig en onmisbaar aandeel in de afbraak van biologisch materiaal.

Wat mijten zo bruikbaar maakt bij de reconstructie van vroegere ecosystemen is de combinatie van soortenrijkdom, aanwezigheid in alle denkbare omgevingen en hun verschillen in voorkeuren voor milieus. Schelvis: 'Op basis van Duits onderzoek uit de jaren vijftig hanteer ik een onderscheid in zo'n zeventien combinaties, groepen van soorten mijten die karakteristiek zijn voor evenzoveel onderscheiden milieus. Zo kan ik aan de hand van mijtenresten uit een grondmonster aflezen of de bodem bos, heide of grasland heeft gedragen, droog of nat was, zout, brak of zoet enzovoorts. De mijten waar ik het bij deze grotere biotopen van moet hebben, zijn bijna allemaal mosmijten, Oribatida. Onder de mosmijten komen generalisten voor die in alle mogelijke milieus uit de voeten kunnen en eenkennigen die erg kritisch op hun omgeving zijn en derhalve meerzeggender.'De mogelijkheid tot vaststelling van macro-milieus is mooi, maar het kan veel gedetailleerder. Sommige mosmijten hebben voorkeuren voor rijk organische vervuilde plaatsen of plaatsen waar zich rottingsprocessen afspelen: mestvaalten, beerputten, composthopen. Ze delen die voorkeur met een aantal roofmijten (Gamasida).

De kieskeurigheid gaat zover dat bepaalde soorten mijten alleen in bepaalde soorten mest voorkomen. Koeiemest heeft andere mijten dan paardevijgen. Elke mestsoort bezit zijn eigen mijtenfauna. Aan de hand van mijtenresten kan daarom worden gezegd: het mestpakket op die plek is afkomstig van runderen. Of: daar stond het kippenhok.

Schelvis: 'In de biologische literatuur kon ik hier weinig over vinden. Mijn verklaring daarvoor is dat biologen zich voornamelijk prettig voelen in natuurgebieden en minder geneigd zijn een varkenstal in te duiken om daar de mijtenfauna te gaan bemonsteren. Dat moest ik zelf doen. Ik heb allerlei typen mest bemonsterd van huisdieren en van dieren die vaak in een archeologische context worden aangetroffen. In de stal dus, maar ook op de mestvaalt en nadat de mest op het land was uitgereden.'Voordelen

Schelvis kan hiermee niet alleen iets over verdwenen landschappen zeggen maar ook iets over inrichting van vroegere nederzettingen. Zelfs, met weer andere mijten, iets over de ruimten binnenshuis.

Nu zijn er meer technieken om historische milieus te reconstrueren. Geologisch onderzoek bij voorbeeld, en determinatie van stuifmeel en van botresten. Waarom dan naar mijten gekeken? Schelvis: 'Acaro-archeologie draagt heel specifieke informatie aan en biedt mogelijkheden voor controle van resultaten uit andere analyses. Bovendien zijn er een paar voordelen. Je kunt snelle veranderingen in het milieu veel beter waarnemen, want mijten zijn daar erg gevoelig voor. En je ziet onmiddellijk reacties omdat generaties mijten elkaar in hoog tempo afwisselen. Ook ben je er zeker van dat wat je vindt van lokale herkomst is. Mijten kunnen niet vliegen, lopen schiet bij die afmetingen ook niet echt op en aanwaaien, zoals met stuifmeel het geval kan zijn, komen ze evenmin. En wat determinatie van botresten betreft: daar heb je altijd te maken met een selectie door de mens. Hij heeft bepaalde dieren wel gehouden of gejaagd en andere niet. Van de eersten vindt je dan veel overblijfselen in nederzettingen terug en van de laatsten totaal geen. Op die manier kan een scheef beeld ontstaan bij de reconstructie van het milieu. Als je mijten-fauna's onderzoekt heb je geen last van dat probleem.'Mensen waren zich wel altijd bewust van de aanwezigheid van vlooien en luizen. Schelvis heeft zoals gezegd zijn werkterrein verbreed met de toepassing van zijn kennis van deze insekten. Schelvis: 'Het is begonnen met benen kammen gevonden bij opgravingen binnen het Groningse Wolters-Noordhoff complex. De kammen van het betrokken type werden van de negende tot de vijftiende eeuw gemaakt en door archeologen altijd beschouwd als wol- of kaardekammen. Daar kunnen nu vraagtekens bij worden gezet want ik heb in de kammen resten van mensenvlooien en menselijke hoofdluis ontdekt.'Onderzoektechnieken kunnen elkaar mooi aanvullen. De opgraving van een IJzertijd-boerderij in Midden Delfland illustreert dat. Gevraagd naar de herkomst van een bepaalde mestlaag kon Schelvis met de mijtenfauna aantonen dat het om rundermest ging. Een conclusie die werd bevestigd door de aanwezigheid van zestig runderluizen. Luizen kunnen bovendien soms uitkomst bieden waar mijten het moeten laten afweten.

Paardevijgen

Binnen hetzelfde project onderzoekt Schelvis de keutels van schapen en geiten. Stuifmeelanalyse wees uit dat er in de omgeving, in de IJzertijd, veel gagel in de buurt van de boerderij groeide. Schapen zouden geen gagel eten, geiten wel. Maar botonderzoek toonde aan dat er bijna geen geiten op de boerderij waren, wel schapen. Schelvis: 'Dat is een tegenstrijdigheid. Voor mij is het nu heel spannend om te zien wat mijn onderzoek van de keutels oplevert. Van mijten verwacht ik niet veel omdat schapen en geiten mogelijk toch te dicht bij elkaar staan. Luizen zijn in dit geval discriminerender want schapen en geiten hebben allebei hun eigen, specifieke luis'.

Was er niet die ene beslissende omstandigheid dan zou entomo-archeologie nooit van de grond zijn gekomen. Die omstandigheid is de uitstekende conservering van insekten-resten. Geleedpotigen namelijk, ontlenen hun stevigheid aan een uitwendig skelet dat is opgebouwd uit chitine, een stof vergelijkbaar met hoorn. Chitine verteert heel moeilijk. In feite is er slechts een bacterie die chitine kan afbreken maar die moet perse zuurstof hebben. Afgesloten van zuurstof, diep in de grond of in water, kunnen de exo-skeletjes duizenden, miljoenen jaren intact blijven. Al gaan pootjes en dergelijke (de extremiteiten) meestal verloren, ze blijven redelijk goed herkenbaar. Met behulp van een determinatie-tabel en een vergelijkingscollectie kan zo'n n 70 a 80% worden gedetermineerd.

Kleine zelfstandige

Schelvis onttrekt mijten- en insekten-resten aan grondmonsters met behulp van een flottatie-techniek. Eerst lost hij de grond op in water. Daarna zeeft hij alles zodanig dat materiaal met een korrelgrootte tussen 1 en 0,1 millimeter van de rest gescheiden raakt. Omdat chitine de eigenschap bezit dat het zich aan olie hecht, vermengt Schelvis het residu met petroleum of lampolie. Als er daar water bij wordt gegoten gaat de olie met de aangehechte chitine skeletjes drijven. Schelvis laat de zaak dan een tijdje rusten zodat alles wat hij niet nodig heeft naar de bodem zakt. Vervolgens giet hij de olie voorzichtig van het water af door een 0,1 millimeter zeef waarin dan vrijwel alleen chitinemateriaal achterblijft. De uitwendige skeletjes krijgen nog een melkzuur-bad dat ze 'opheldert' en de determinatie, met behulp van een microscoop, kan beginnen. Dat lijkt monnikenwerk maar volgens Schelvis valt het erg mee, omdat mijten een opvallend eigen uiterlijk hebben. Het hele proces, inclusief verslaglegging van de bevindingen, neemt meestal een dag of drie in beslag.

Schelvis probeert tegenwoordig als kleine zelfstandige door middel van contract-research brood op de plank te houden. Zoals voor zoveel archeologische promovendi was er ook voor hem na het 'Hora est!' geen fatsoenlijke, universitaire werkplek beschikbaar. Lukt het Schelvis allemaal niet en moet hij er noodgedwongen de brui aan geven dan gaat zijn goedkope, betrouwbare specialisme voor Nederland verloren.

Neem daarbij de commissie Kossmann. Die gaf onlangs in een rapport aan de voorzitter van de vereniging van universiteiten te verstaan dat archeologisch onderzoek in ons land internationaal toonaangevend is. Dat deze tak van wetenschap daarom van verdere bezuinigingen en reorganisaties gevrijwaard zou moeten blijven. In dit licht moet dan worden geconstateerd dat het ontbreken van een structuur waarin gepromoveerde specialisten als Schelvis aan het werk kunnen, regelrechte kapitaalvernietiging is.