Wellustig heimwee naar Hollywoods onschuld

The Hudsucker Proxy. Regie: Joel Coen. Met: Tim Robbins, Paul Newman, Jennifer Jason Leigh. Amsterdam, Calypso 1; Rotterdam, Calypso 1; Den Haag, Babylon 1; Groningen, Movies; Utrecht, Rembrandt 2.

Hollywood houdt van Hollywood. Vooral van het Hollywood uit de jaren dertig en veertig, toen filmbonzen als Louis B. Mayer en Jack Warner nog goud verdienden met de fantasie van cineasten die in alle onschuld verhalen vertelden en met acteurs en actrices die in vergelijkbare onschuld sterren werden.

De onschuld ging verloren, de duivel kocht de zielen op. Hollywood floreert nog altijd, maar de prijs is hoog en de trots desondanks te zijn voortgekomen uit ongebreidelde naïeveteit is even groot als het heimwee ernaar. En dus zien we nu op zijn minst al vijftien jaar lang hedendaagse filmers zich vermeien in een afgesloten verleden. Wellustig wentelen ze zich in de camera- en montagestijl van toen, in de decors, in de kleding, in de genres. Er wordt spetterend geïmiteerd, geciteerd, gekopieerd. De cineasten hopsen van de ene naar het andere verwijzing en vaak vergeten ze zelf iets te vertellen. Schitterende lege hulzen maken ze. Amusant op de korte baan, maar zonder erg dat ze een doodlopend pad bewandelen, aangezien ze streven naar iets dat allang niet meer gemaakt kan worden, bij gebrek aan onschuld.

Direct wanneer The Hudsucker Proxy begint, lijkt al duidelijk dat Joel en Ethan Coen uit zijn op een stap verder. De broers die films als Blood Simple, Raising Arizona en Barton Fink voorzagen van een onmiskenbaar eigen stempel, door samen hun scenario's te schrijven en regie (Joel) en produktie (Ethan) in eigen hand te houden, verwijzen met deze film vanaf het eerste moment van hun film naar een van de grootmeesters van weleer, Frank Capra. Daarbij zetten ze cliché's en citaten met grote, elegante dreunen neer, als waren ze geen echo's van decennia oude vondsten maar gold het hier de platonische Ideeën van de Cinema.

Hun voornaamste personages ontlenen ze aan twee van Capra's meest fameuze films: Mr. Deeds Goes to Town (1936) en Mr. Smith Goes to Washington (1939). Dat tegen het slot van hun film ook nog een dikke oude beschermengel optreedt à la Clarence uit Capra's It's a Wonderful Life (1946) en dat de raamvertelling van The Hudsucker Proxy teruggaat op diezelfde film, zijn voetnoten voor liefhebbers. Essentie is, net als in Mr. Deeds en in Mr. Smith, het onbekommerd optreden van een provinciale idealist in de grote stad, in dit geval New York. Hij wordt op zijn nek gezeten door gewetenloze figuren, maar gesteund door een door de wol geverfde, cynische journaliste. Doordat zij samen blijven geloven in de macht van de eenvoud, overwinnen ze de arrogante bezittende klasse, in dit geval gepersonifieerd in een, teveel met zijn eigen rol spottende, Paul Newman die als een boosaardige Zeus vanaf een kille Olypmus van glas, steen en staal midden in New York dobbelt met het wel en wee van de gewone man. Uiteraard ontstaat er tegen alle redelijkheid in tussen de idealist en de journaliste een romance die alleen kan worden besloten met 'en ze leefden nog lang en gelukkig'.

'1959' dateren de Coens hun verhaal en om bij dat jaartal uit te komen, verknoopten ze alle film-, decor- en kledingstijlen van de jaren dertig, veertig en vijftig met elkaar. De dialogen zijn spits en snel, de comedy uitzinnig, de omgeving is monumentaal, de art direction is extreem architecturaal en leidde tot gigantische sets. Een gierende regie en flamboyant camerageweld maken sommige scènes tot musical-momenten waar Busby Berkely jaloers op geweest zou zijn, en waarin de dans pesterig bestaat uit gechoreografeerde snelheid en de songs helemaal ontbreken.

Maar het jaartal aan het begin van The Hudsucker Proxy is er niet voor niets: 1959 markeert de vooravond van de moderne tijd. De periode van onschuld loopt op zijn einde. Tim Robbins speelt de hem toevertrouwde naïeveling navenant. Hij lijkt op hen, maar anders dan James Stewart en Gary Cooper in de Capra-films is zijn type geen inventieveling wiens charisma en ideeën de heersende klasse terecht vreest. Hij is een simpele ziel. En ook al bezorgt hij het bedrijf waar ze hem misbruiken bij toeval een succes doordat hij de hoelahoep bedenkt, hij blijft een idioot. De wereld die hem als held inhaalt, is tot ondergang gedoemd.

Deze figuur spoort met de zwartgallige visie uit eerdere films van Joel en Ethan Coen, waarin elk mens niet alleen wordt omringd door een als dagelijks leven verklede hel, maar ook een vagevuur in zich herbergt. In The Hudsucker Proxy weigeren de Coens echter die conclusie te trekken, sterker, ze ontlopen hem. De ijselijke waanzin, door henzelf zorgvuldig opgetast in briljante scènes, zoals een protserige feest met een overdaad aan oud vel en diamanten of een directeur die met veel vertoon zelfmoord wil plegen maar als een geplette vlieg terugzakt op de ruit van onbreekbaar glas, wordt weggewuifd, en de achterhaalde levenslessen van Hollywood worden voor de zoveelste keer uitsluitend om hun oppervlakkige schijn beleden. De kinderlijke provinciaal blijft zijn onbevangen zelf en wordt meer Man, zijn liefje wordt minder journaliste en meer Vrouw. Wij denken: was dat alles? En we ergeren ons, want wij weten dat de Coens beter weten.