'Verenigde Naties zijn niet op doen gericht'; Alders over het vervolg van 'Rio'

DEN HAAG, 1 JUNI. Hij vindt dat “de VN niet zijn gericht op uitvoering”, maar gaat er in september zelf aan de slag. Milieuminister Hans Alders is net terug uit New York, waar hij met 52 collega's twee weken lang een bijeenkomst bijwoonde van de VN-commissie voor duurzame ontwikkeling (CSD). De commissie is in 1992 ingesteld om de voortgang te bewaken van het actieplan, de verdragen en de verklaringen die in de zomer van dat jaar op de wereldmilieuconferentie van Rio de Janeiro tot stand kwamen. Na twee weken vergaderen is er in New York echter geen enkel besluit genomen.

Hoe kan dat?

“Ik denk dat je het moet vergelijken met het Nationaal Milieubeleidsplan. Als alle idealen eenmaal op papier staan, moeten ze worden gerealiseerd. De CSD is een enthousiaste club, maar niet gericht op uitvoering. De stukken voor de bijeenkomst waren niet slecht, maar er stond te weinig in. Nederland had een werkprogramma over schoon water gemaakt, dat zou worden overgenomen. Maar wanneer en hoe? Dat stond nergens. Dus toen kreeg je dat 53 ministers wel besloten wat ze van belang vonden, maar niet wat ze gingen doen. De conclusie luidde meestal dat er nog maar eens over moest worden gepraat.

“Toen ik die stukken doorkeek, dacht ik steeds: en nu komt het slothoofdstuk, het hoofdstuk met de concrete voorstellen. Maar dat was er dan niet. Ik heb in de eerste week gevraagd of die slothoofdstukken niet alsnog konden worden gemaakt. Dus: die en die landen hebben zich aangemeld om dat en dat te doen en de CSD zal op die en die datum met een voortgangsrapportage komen. Maar dan lopen daar VN-mensen rond die zeggen: 'Maar Hans, dat kunnen wij zo niet opschrijven, die bevoegdheid hebben wij niet'.

“Het waren soms ook heel banale dingen. Geen enkel stuk was op tijd af, zodat je ze pas in New York kon lezen. En er was geen voorzitter benoemd. Op de eerste dag van de vergadering hebben we Klaus Töpfer, de Duitse milieuminister, tot voorzitter gekozen. Maar die had dus geen gelegenheid gehad om de bijeenkomst voor te bereiden.”

Komt er op deze manier nog wat terecht van de afspraken van Rio?

“Rio is per definitie een succes. Het heeft dingen in beweging gezet die niet meer te stoppen zijn. In welk land je ook komt, men is ermee bezig. Duurzame ontwikkeling heeft een plaats op de agenda gekregen, het moet nu alleen nog een gezamenlijke inspanning worden.

“Dat dat moeizaam gaat, komt doordat we in de euforie van Rio een beetje zijn vergeten dat er ook mensen moeten zijn die zeggen: nu doen we het. De VN zijn daar niet op gericht. De secretaris-generaal zei het nog in zijn openingsspeech: 'Beste commissie, van harte welkom, maar realiseert u zich dat u geen bevoegdheden heeft'. En dat klopt. Want dat wilde in 1992 bijna niemand. Er mocht wel toezicht komen, maar geen raad met eigen bevoegdheden. Toezien veronderstelt dat anderen het werk doen. De landen die Agenda 21 hebben ondertekend. Daar moet het gebeuren. Maar van al die landen hadden in New York niet meer dan veertig een jaarrapport ingediend.

Zo kan het toch niet doorgaan?

“Je moet natuurlijk steeds bedenken dat het bij de VN nooit erg snel gaat, simpelweg omdat het niet eenvoudig is om als landen onder elkaar afspraken te maken. Er zijn enorme cultuurverschillen. Voor veel ontwikkelingslanden is het inleveren van een jaarrapport zoiets als het afleggen van een examen. Daar zijn ze bang voor. En dan is er nog een aantal landen dat puur met overleven bezig is. In Rio waren alle ministers van ontwikkelingssamenwerking, in New York maar twee. Die ministers zien de wereld uit elkaar vallen en zijn met hele andere dingen bezig. Dat snap ik wel, maar dit moet ook gebeuren. Je kunt niet elk je eigen weg gaan, want de één komt met de plannen en de ander moet ze betalen.

“Maar er gaat nu wel wat veranderen. Volgend jaar, wanneer de CSD weer bijeenkomt, liggen er stukken waar de ministers ja, nee of misschien op kunnen zeggen. Het gaat dan over biodiversiteit, de verwoestijning en de bossen. Dat zijn hele ingewikkelde onderwerpen, waar de spanning hoog over op kan lopen. Er komen daarom ook een aantal voorbereidende bijeenkomsten.

“Zelf geloof ik dat het eigenlijk heel simpel is. In Rio is afgesproken dat er concrete uitwerkingen zouden komen. Als die er eenmaal zijn, als landen concrete plannen maken, gaat het om maar kleine beetjes geld. Dan hoeft de financiering ook geen probleem te zijn. Ook is het bij concrete plannen meteen duidelijk welk VN-orgaan het project zou kunnen ondersteunen. Want dat is ook een gevaar, dat alle VN-organen hun eigen produkten gaan ontwikkelen. De Wereldbank heeft een directeur duurzame ontwikkeling, het IMF heeft er één en de FAO sinds kort ook.”

Uzelf wordt directeur van de Europese vestiging van de UNEP, de VN-commissie voor milieu. In Rio is afgesproken dat die een belangrijke rol in het vervolg van de conferentie zou krijgen, maar ook dat is nog niet gebeurd.

“De UNEP heeft een aantal substantiële rapporten uitgebracht. Maar de link tussen deze rapporten en daadwerkelijke besluiten hebben we op deze vergadering niet aan kunnen brengen. Die rapporten gaan straks naar de voorbereidende bijeenkomsten, dus misschien leiden ze volgend jaar wel tot besluiten. Maar dat weten we niet. Dat weet je nooit. Zelf denk ik dat als er betere voorstellen komen, als er goed materiaal op tafel ligt, de kans op besluiten groter wordt.”