Solide paars kabinet kan knopen doorhakken

Hoewel PvdA en VVD elkaar lijken te naderen, zijn met name op de terreinen sociale zekerheid en volksgezondheid de programmatische verschillen nog zo groot, dat moeilijk een solide compromis zal kunnen worden gevonden. Het zou jammer zijn als de paarse coalitie er toch niet komt. Een paarse coalitie biedt de beste mogelijkheden voor de oplossing van een aantal kernproblemen van onze verzorgingsstaat.

We hebben met z'n allen, onze politici voorop, een sociaal-economische dynamiek gecreëerd waarin steeds minder mensen steeds harder moeten werken om voor steeds meer mensen een uitkering te verdienen. Als men verdere 'Verelendung' wil voorkomen biedt een paars compromis wellicht de enige en laatste kans. Een kabinet met het CDA is daartoe niet in staat, die partij is te zeer verknoopt met de architectuur van het huidige sociale bouwwerk. Waar de confessionele politiek het 'oude historisch compromis' heeft gesmeed, in de vorm van de gedeelde verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het sociale stelsel, is het juist de overleg- en uitvoeringsorganisatie die nu een echte stelselherziening in de weg staat. Een paars compromis dat de problemen van de verzorgingsstaat aan kan, kan alleen worden bereikt door de sociale doelstellingen rechtstreeks te koppelen aan een liberale uitvoering, door aan de markt harde publieke randvoorwaarden op te leggen.

Op basis van dit 'nieuwe compromis' ligt een principiële herordening van de stelsels van sociale zekerheid en gezondheidszorg binnen bereik. Langs sociaal-liberale lijnen kunnen zowel de rechtszekerheid en rechtvaardigheid, als de doelmatigheid en efficiency van deze cruciale voorzieningen worden verzekerd. Gezien de alomvattende rol die de politiek zich op het terrein van zorg en zekerheid heeft aangemeten, gaat het daarbij ook om het herstel van de betrouwbaarheid van de overheid.

Voor het vraagstuk van de sociale zekerheid biedt het ministelsel zoals de VVD dit heeft voorgesteld, geen oplossing. Zo'n stelsel, waarin de inkomensterugval boven 60 procent van het minimumloon particulier moet worden bijverzekerd, verschuift de arbeidskosten alleen maar naar de CAO-sfeer en heeft bovendien asociale gevolgen. De huidige WAO op hoofdlijnen onaangetast laten, zoals de PvdA wil, is echter evenmin verantwoord. Nu reeds is de sociale zekerheid voor velen in onzekerheid gaan verkeren, zoals de jongste wijzigingen in de WAO laten zien. Daar komt bij dat de particuliere verzekeraars, die zich gretig op het 'WAO-gat' hebben gestort, vrij spel is gelaten bij de selectie van 'slechte risico's'.

Toch hoeft in een sociaal-liberale coalitie de historische ontwikkeling 'van gunst tot recht' niet te worden teruggedraaid. Daartoe kan men uitgaan van een model met een verplicht op de particuliere markt af te sluiten verzekering die is beperkt tot een nader vast te stellen percentage van het laatstverdiende inkomen. Dit percentage zal wellicht lager moeten zijn dan de 70 procent van de 'oude WAO', maar - anders dan in het collectief uit te voeren ministelsel van de VVD - een bodem moeten kennen voor een sociaal minimum.

Bij zo'n verplichte verzekering past het opleggen van voorwaarden aan de verzekeraars, zoals een algemene acceptatieplicht en een verbod van premie-differentiatie, niet alleen naar individuele verzekerden, maar wellicht ook naar bedrijven of zelfs naar bedrijfstak. Onder dergelijke condities zal de concurrentie tussen de verzekeraars zich vooral richten op de premiehoogte en de mate van dienstverlening. De verzekeraars moeten gaan concurreren onder veel eenvoudiger en doorzichtiger marktcondities. Omdat de concurrentievoorwaarden mede door publieke doeleinden moeten worden bepaald, dient de politiek weer te leren die doeleinden in bestendige en consistente wetgeving te vertalen. Wanneer voldoende vertrouwen is gegroeid, zal op termijn een afstemmingsoperatie kunnen plaatsvinden waarbij AOW en pensioenvoorzieningen (pensioenbreuk) worden betrokken.

De gezondheidszorg is, behalve in een doodlopend politiek debat, in een situatie beland waarin de overheid een omvattende verantwoordelijkheid op zich heeft genomen, maar zich tevens heeft veroordeeld tot het verdelen van de door haar zelf gecreëerde tekorten. Daar komt bij dat die tekorten nog wel eens een flauwe afspiegeling zouden kunnen zijn van de problemen die zich in de eerste decennia van de volgende eeuw gaan afspelen, wanneer de vergrijzing eerst goed doorzet. Ook hier is een principiële koerswijziging geboden.

Ook het stelsel van de gezondheidszorg, met inbegrip van de ouderenzorg, kan op basis van een sociaal-liberaal verzekeringsconcept worden herzien, waarbij de algemene beschikbaarheid en kwaliteit van de voorzieningen is gewaarborgd. Anders dan in de plannen-Dekker en -Simons, hoeft dan niet alle vertrouwen te worden gesteld in door de verzekeraars met de zorgverleners af te sluiten contracten als vervanging van de huidige aanbodplanning door de overheid. Veeleer zouden de nodige doelmatigheids- en efficiencyprikkels door herstel van, gereguleerde, marktverhoudingen in de zorgverlening zelf moeten worden bereikt. Dit betekent onder andere dat de medische kartels - door de overheid niet gedoogd, maar actief benut in haar restrictieve beleid - moeten worden opengebroken. Daarnaast zal de autonomie van de patiënt zoveel mogelijk moeten worden hersteld, ook bij het maken van moeilijke kosten-baten afwegingen.

Het meest typerend voor deze benadering zou echter zijn dat de gezondheidszorg voor een groot deel kan worden bevrijd van het juk der collectieve lasten. Getuigt het eigenlijk niet van een elementair gebrek aan politieke beschaving om het niveau van gezondheidszorg af te wegen tegen bijvoorbeeld de hoogte van ambtenarensalarissen of de prijs van aan te kopen straaljagers?

Het interessante van een paars compromis langs bovenstaande lijnen is dat de grondslag ervoor kan worden gevonden op juist die terreinen die nu de grootste hindernissen lijken te vormen: Van Mierlo's ultieme paradox. Zo'n compromis dwingt PvdA en VVD tot het dichtslaan van hun programma's en tot het trotseren van de georganiseerde belangengroepen waarmee zij zich vanouds identificeren. Daar staat tegenover dat zij dichter bij hun politieke beginselen kunnen blijven dan zij nu zelf voor mogelijk houden. In dat opzicht zou een paars kabinet juist geen 'end of ideology' markeren.

Zo komt de PvdA weer te staan voor de kernvraag hoe sociale doelstellingen in een markteconomie kunnen worden gerealiseerd. Zij zal moeten erkennen dat de sociaal-democratie tot nu toe veel te weinig aandacht heeft gehad voor ordening van maatschappelijke processen en steeds veel te automatisch heeft gekozen voor rechtstreekse overheidsprestaties en -sturing. Het reguleren van de markt in plaats van deze te verstoren of op te heffen, biedt deze partij nieuwe perspectieven voor het nastreven van sociale doelstellingen, zeker nu de financiële mogelijkheden in de publieke sector zo gering zijn.

Voor de VVD geldt, in spiegelbeeld, hetzelfde. Zij zal afstand moeten nemen van de concurrentiebeperkingen waaraan bijvoorbeeld de vrije beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg zo verknocht zijn. Daartegenover krijgen centrale elementen van de liberale filosofie als de keuzevrijheid van het individu en de scherpe scheiding tussen publieke en private verantwoordelijkheden, een nieuwe dimensie.

Ook D66 zal zich moeten verdiepen in haar eigen grondslagen, door aansluiting te zoeken bij de vrijzinnig-democratische traditie van de eerste helft van deze eeuw. Uit het doodbloeden van het debat over bestuurlijke, staatkundige en staatsrechtelijke vernieuwing, waar deze partij zo haar hart aan heeft verpand, zou de les moeten worden getrokken dat echte vernieuwing zich moet richten op de inhoud van het overheidsbeleid en de problemen die zich daarbij voordoen.