Jezus is in Rwandese kerk van zijn kruis gevallen

NYARUBUYE, 1 JUNI. Op de trap van de preekstoel ligt het lichaam van een tiener. Onderaan de kansel zijn drie vrouwen neergemaaid met kapmessen, over het biechtbankje hangt het lijk van een man. Jezus is van zijn kruis gevallen, vlakbij het lichaampje van een meisje.

Over het kerkterrein van het gehucht Nyarubuye in Oost-Rwanda hangt een dikke stank van rottend vlees. De doodse stilte in dit prachtige, heuvelachtige land van gele en roze bloemen wordt alleen verstoord door het gezang van een vogel en het gezoem van duizenden vliegen. Hier sloegen de moordenaars van de Hutu-militie enkele weken geleden toe. Ze omsingelden de kerk en nabijgelegen schoollokalen en slachtten naar schatting tweeduizend tot drieduizend Tutsi-vluchtelingen af. Pas enkele dagen geleden ontdekten soldaten van het het voornamelijk uit Tutsi's bestaande Rwandese Patriottische Front (RPF) de slachtoffers van deze moordpartij.

Het kost moeite niet op lijken te trappen. De grond ligt ermee bezaaid. De stank is overweldigend, de RPF-soldaten brengen een zakdoek naar hun neus en mond. In de leeszaal ligt een baby, zijn afgehakte hoofdje is gevallen op het boek 'Het geheim van het geloof'. Op de binnenplaats zijn lijken opgestapeld, in een schoollokaal bevindt zich een honderdtal lichamen van kinderen. In het volgende lokaal liggen weer vijftig lijken, een man met een afgehakte hand hangt over een grote houten tafel. In een kamertje hebben de moordenaars een grote stok gestoken tussen de benen van een vrouw van middelbare leeftijd.

Bij vele slachtoffers blijkt de schedel ingeslagen. Het hoge gras rond hetterrein van de kerk verbergt nog veel meer doden. Ze werden op de vlucht door kogels geraakt. Slechts één vrouw in de kerk overleefde het bloedbad. Zij kan niet meer praten. Volgens het dorpshoofd van Nyarubuye redde zij zich door haar hand op haar nek te houden toen de Hutu-militieleden op haar inhakten. Ze verloor al haar vingers maar haar slagader werd niet geraakt. Ze deed alsof ze dood was tot de moordenaars waren vertrokken.

Cesaria Uwangarambie woont op een halfuur lopen afstand van de kerk. Ze is een Tutsi, maar haar man is een Hutu. “Daarom spaarden ze mijn leven”, vertelt ze. “De militieleden en regeringssoldaten kwamen bij alle huizen in deze streek langs. Alle Tutsi's en ook de Hutu's die niet tot de regeringspartij behoorden, gingen eraan.” Haar buurman, een Hutu, die aan negen Tutsi's bescherming bood, werd eveneens gedood.

Cesaria laat de wond zien in de nek van de 12-jarige Mukeshimara. Ze probeerden het meisje te onthoofden, ze viel flauw en werd achtergelaten, omdat de militieleden dachten dat ze dood was. Haar ouders en vier broers waren minder gelukkig. Cesaria ontfermde zich over het weesje dat sinds haar ontmoeting met de dood permanent rilt. “Wat kan ik u nog meer vertellen?”, besluit Cesaria. “Overal in de omgeving liggen rottende lijken. Heeft u daar nog woorden voor?”

De dreiging van de Hutu-moordeskaders is nog lang niet geweken, hoewel het RPF langzaam maar zeker het land overneemt. Enkele Hutu-militieleden houden zich nog in RPF-gebied op en terroriseren 's nachts de paar achtergebleven bewoners. In de avond roept de radio van de regeringsstrijdkrachten de bevolking op de vijand tot aan de dood toe te bestrijden. De vijand, aldus de radio, bevindt zich onder de vluchtelingen in de kerken in het land.