'Grote banenmachine' in VS werkt: drie miljoen in 1994

De Amerikaanse economie is terug. De groei is solide en de inflatie gematigd. En er worden banen geschapen: 200.000 in een maand. 'We praten niet alleen over veranderingen, we voeren ze ook uit.''

Niets is zo indrukwekkend als het opstarten van de Grote Amerikaanse Banenmachine, zegt Roger Altman, de Amerikaanse onderminister van financiën. Hij heeft zichtbaar gelijk: in de wijde omgeving van Washington (DC) hangen in winkels en restaurants bordjes 'Personeel gevraagd'. Bij bouwprojecten zijn de teksten soms in het Engels en Spaans. Het aantal borden 'Te koop' bij huizen en appartementen is, op het oog, vergeleken met een jaar geleden drastisch verminderd. Toen kon je door straten lopen, in residentieel Washington, waar vrijwel ieder huis te koop was. Nu is er nog wel aanbod, maar wordt er ook gerenoveerd, opgeknapt en opnieuw bewoond.

Afgelopen maand ontstonden 200.000 nieuwe banen in de Verenigde Staten. Met een verwachte banengroei van ruim drie miljoen dit jaar wordt de aanwas van vorig jaar, twee miljoen, overtroffen. De verkiezingsbelofte van president Clinton, acht miljoen nieuwe banen in vier jaar, wordt gemakkelijk gehaald. In de laatste tien jaar hebben de VS, de recessie van 1990-91 en het trage herstel in 1991-92 ten spijt, dertien keer zoveel nieuwe banen gecreërd als alle landen van de Europese Unie samen. En niet, zoals in Europa, voornamelijk (semi-)overheidsbanen, maar werk in de particuliere sector. Die banengroei is mogelijk omdat in de Verenigde Staten de lonen zich hebben aangepast. Het gemiddelde inkomen uit werk is in de VS (in dollars) even hoog als de gemiddelde uitkeringen in West-Europa.

De Amerikaanse economie is terug. Ondanks de vrees voor oplopende inflatie die bij de financiële markten bestaat, belooft 1994 een goed jaar te worden, verzekeren de financieel-economische beleidsmakers in Washington. Geen oververhitting van de economie, geen nijpende tekorten, geen gevaar voor hoge inflatie. Een reële groei van drie procent, een inflatie van drie procent. “Solide groei met gematigde inflatie', noemt Laura d'Andrea Tyson, de voorzitter van de presidentiële Raad van economische adviseurs de vooruitzichten.

Ruim een jaar is het economische team van Clinton aan het werk en het heeft - in tegenstelling tot de verwarring op het terrein van de buitenlandse politiek en de constante stroom negatieve publiciteit over de persoonlijke verwikkelingen van de president - een samenhangend economisch beleid ontwikkeld, dat door iedereen wordt uitgedragen. Waar in Nederland - of in Europees verband - de samenhang meestal ver te zoeken is en ministers of topambtenaren met elkaar van mening kunnen verschillen omdat geen politieke oriëntatie wordt gegeven, spreken de Amerikaanse beleidsmakers allemaal dezelfde taal. Laura Tyson van de Raad voor economische adviseurs, Ira Shapiro, de rechterhand van handelsgezant Mickey Kantor, Robert Rubin, de voorzitter van de nieuwe Nationale economische raad die Clinton in het Witte Huis heeft geïnstalleerd, minister van handel Ron Brown, onderminister voor internationale financiële zaken Larry Summers en onderminister van financiën Roger Altman* verkondigen onafhankelijk van elkaar dezelfde, heldere boodschap: het economische evangelie van Clinton.

Dit beleid is in vier punten samen te vatten: - vermindering financieringstekort; - overheidsinvesteringen ter verbetering van onderwijs en infrastructuur; - hervorming gezondheidszorg; - handelspolitiek.

Clinton wil breken, zo zegt de voormalige Wallstreet-bankier Roger Altman, met het verleden en ongezonde economische trends uit de Reagan/Bush-periode - het financieringstekort, de dalende produktiviteit, de verwaarloosde infrastructuur, het onbetaalbare gezondheidsstelsel, het handelstekort met Japan - ombuigen. “De mensen vroegen bij de presidentsverkiezingen om economische veranderingen en die krijgen ze. We praten niet alleen over veranderingen, we voeren ze ook uit”, zegt hij met Amerikaanse zelfverzekerdheid.

Lawrence Summers, afkomstig van Harvard waar hij op 29-jarige leeftijd al professor was, schetst het kader van het Amerikaanse beleid: “Na het einde van de Koude oorlog bestaat er geen wereldwijd ideologisch conflict meer. De Verenigde Staten hebben niet langer één helder doel ( het in toom houden van de Sovjet-Unie) op het gebied van buitenlands beleid. We hebben te maken met de economische hervormingen in de ex-communistische landen en met de opkomst van de ontwikkelingslanden: ruim drie miljard mensen zijn bezig zich een plaats in de internationale markteconomie te verwerven. De wereld is kleiner geworden. Economisch beleid, buitenlands en veiligheidsbeleid zijn samengevloeid.” Hij besluit, messianistisch: “Net zoals na de Tweede wereldoorlog is ons doel na de Koude oorlog om gedeelde welvaart, economische groei en vrede in eigen land en in de wereld te brengen. De spreiding van welvaart is een Amerikaans belang.”

Toen de Democraten in januari 1992 de boel van de Republikeinen overnamen, troffen ze de gevolgen van 'twaalf jaar onverantwoordelijk begrotingsbeleid' aan, zoals Robert Rubin (ex-Wallstreet) van de Nationale economische raad zegt. “Ons uitgangspunt was dat het land met de grootste schuld ter wereld onmogelijk de rol van grootste economische macht ter wereld kan spelen”, zegt Summers. Een snelle aanpak van het begrotingstekort werd het eerste doel van de regering-Clinton en vorig jaar was met het Congres oveenstemming bereikt over een vermindering van het tekort met 500 miljard dollar in vier jaar. “Zonder trucs en zonder incidentele maatregelen”, aldus Altman.

Het 'tijdpad' - ook in Washington is dit begrip populair - werkt: voor het begrotingsjaar 1995 (dat op 1 september 1994 begint) is een tekort van 176 miljard dollar begroot maar dit zal waarschijnlijk lager uitvallen. In twee jaar is het financieringstekort als percentage van het bruto nationaal produkt gehalveerd. Volgens Laura Tyson (ex-hoogleraar Berkeley) zal het tekort in 1995 uitkomen op 2,3 procent van het bnp, het laagste percentage sinds 1979. Summers beweert dat de VS dan het laagste financieringstekort van alle G7-landen zullen hebben. In ieder geval neemt de Amerikaanse staatsschuld als percentage van het bnp dit jaar niet langer toe en daalt de schuldquote in 1995. Daarmee heeft de Clinton-regering in drie jaar de erfenis van het Reagan/Bush-begrotingsbeleid opgeruimd. Drie kabinetten-Lubbers is dat in Nederland met de nationale begrotingsellende niet gelukt.

Het tweede punt van de Clinton-agenda betreft investeren in produktiviteitsverbetering. In vergelijking met Japan en Duitsland hebben de VS jarenlang een lage produktiviteitsgroei en lage industriële investeringen gehad. De expansie is nu gebaseerd op investeringen. Er wordt gewerkt aan ambitieuze plannen voor een elektronische snelweg en andere technologische revoluties waarmee de produktiviteit kan worden verbeterd.

De aandacht richt zich ook op de kwalificaties van de werknemers. Door verwaarlozing van scholing en beroepsopleidingen 'zijn negentig miljoen Amerikanen niet voldoende opgeleid voor de eisen van de moderne economie', zegt Rubin. Bovendien werken zo'n twintig miljoen Amerikanen zonder dat ze genoeg verdienen om hun gezin te onderhouden, aldus Tyson. Vandaar de plannen voor verbetering van onderwijs en training, aandacht voor de leefomstandigheden in de verpauperde binnensteden, voor bevolkingspolitiek, voor inkomensverbetering van de 'working poor' en voor plannen om miljoenen mensen uit de bijstand te halen met hulp van belastingprikkels.

In het verlengde hiervan ligt het derde zwaartepunt van Clintons economische programma: de hervorming van het gezondheidsstelsel. De kwalen zijn bekend: de Verenigde Staten geven (als percentage van de nationale economie) meer uit aan gezondheidszorg dan enig ander land ter wereld, de kwaliteit is wisselend, miljoenen Amerikanen hebben geen ziektekostenverzekering (gezonde mensen soms met opzet niet), naar schatting een kwart van de mensen zit in de bijstand uitsluitend om te profiteren van de gratis gezondheidszorg, werknemers veranderen moeilijker van baan omdat ze bang zijn hun bedrijfsgebonden ziektekostenverzekering te verliezen. Medicare (voor armlastigen) en Medicaid (voor bejaarden) vormen samen de grootste en snelst stijgende post overdrachtsuitgaven op de federale begroting. “We hebben het slechtste van alle werelden”, verzucht Altman, die nauw betrokken is bij de hervorming van de gezondheidszorg.

Het gezondheidsplan van Clinton, waarbij een universele ziektekostenverzekering wordt geïntroduceerd, gaat uit van een paar klassieke economische beginselen. Wat dat betreft is het vergelijkbaar met de recente voorstellen van de commissie-Biesheuvel en het politiek vermalen plan-Simons in Nederland. De Amerikanen willen concurrentie in de gesloten markt de gezondheidszorg brengen, de consumenten via eigen bijdragen een grotere kostenbewustzijn bijbrengen en door de bundeling van de inkoop van medische zorg schaalvoordelen behalen. Dit zal de Amerikaanse gezondheidszorg goedkoper en efficiënter maken, verwacht de regering. Dat zal bijdragen aan beperking van het begrotingstekort en versterking van de Amerikaanse concurrentiepositie. Deze verwachtingen worden overigens niet door iedereen gedeeld en vooral in het bedrijfsleven bestaat verzet tegen de wetsvoorstellen, die deze zomer door het Congres moeten worden behandeld. Na het begrotingsakkoord van 1992 belooft dit het belangrijkste politieke gevecht van de Clinton-regering en het Congres te worden. De uitkomst is onzeker, temeer nu zich geen overeenstemming in het Congres aftekent over de gezondheidshervorming en een van de steunpilaren van Clinton - voorzitter Dan Rostenkowski van het almachtige House Ways and Means Committee - dreigt weg te vallen. Rostenkowski is officieel beschuldigd van financiële malversaties.

Handelsbeleid is de vierde peiler van het economische programma. Mogelijk wordt de goedkeuring van het GATT-akkoord voor internationale handelsliberalisatie het slachtoffer van de aandacht die de gezondheidszorg opeist. Ondanks verzekeringen van de regeringsfunctionarissen dat Clinton er alles aan zal doen om nog dit jaar het GATT-akkoord door het Congres goedgekeurd te krijgen, uiten stafmedewerkers van de Senaat en het Huis van Afgevaardigden hun skepsis. “Dit is een verkiezingsjaar en in oktober gaan politici die herverkozen moeten worden, op campagne”, zegt Peter Cleveland, medewerker van senator Charles Robb, de liberale voorzitter van de commissie voor buitenlandse betrekkingen. “De vraag is: welke prioriteit heeft het Witte Huis? Gezondheidszorg heeft voor de kiezers grotere urgentie dan GATT.”

Een bijzonder probleem bij de goedkeuring van het GATT-akkoord door het Congres is het gat dat de overeengekomen verlaging van invoerrechten in de begroting slaat. In het begrotingsakkoord is vastgelegd dat tegenvallers door compensaties moeten worden opgevangen. Het GATT-verdrag zal een jaarlijks verlies van 13 miljard dollar aan invoerheffingen tot gevolg hebben. Het Congres heeft weinig zin daarvoor bezuinigingen aan te wijzen. Maar volgens de regering is dit geen groot probleem, want de stimulans die van handelsliberalisatie uitgaat, zal een veelvoud aan extra inkomsten genereren.

GATT, NAFTA (het Noordamerikaanse vrijhandelspakt) en APEC (Economische samenwerking met de Aziatische en Pacific regio) zijn geen initiatieven van Clinton, ze stammen nog uit de tijd van zijn voorganger. Maar op handelsgebied kiest de Clinton-regering wel voor een veel assertiever opstelling jegens zijn partners. Het is in sterke mate 'resultaat-gericht', zoals recentelijk bleek uit de manier waarop schaamteloze overheidsbemoeienis Amerikaanse bedrijven aan orders in Saoedi-Arabië hielp. En zoals ook bleek uit de wijze waarop Clinton uiteindelijk de koppeling tussen mensenrechten en handelsbeleid losliet in het geval van de status van 'meestbegunstige handelsnatie' voor China. Economische veiligheid is het primaat van de buitenlandse betrekkingen geworden.

Volgens kritici neigt het Amerikaanse beleid naar gestuurde handel en wijkt het daarmee af van de vrijhandelspositie die de VS traditioneel innemen. Ira Shapiro, de rechterhand van handelsafgezant Mickey Kantor, bestrijdt deze beschuldiging van protectionisme. “De economische toekomst van de VS hangt af van deelname aan de concurrentie op de wereldmarkt, niet van afscherming”, verzekert hij. “Wij zullen onze handelspartners niet de schuld geven van onze eigen, binnenlandse tekortkomingen. En we zullen ons wereldwijd inzetten voor open markten.”

Ook Lawrence Summers laat zich niet in het protectionistische kamp plaatsen. “Wij hebben een activistische filosofie over handel: meer handel betekent meer welvaart. Wij zijn voor open markten en sommige landen moeten stappen nemen om hun markten te openen.” Met een bilateraal handelstekort van 60 miljard dollar per jaar is Japan een voor de hand liggend doelwit. “Wij zullen doorgaan druk uit te oefenen op Japan”, verzekert Summers. En Rubin zegt: “De één na grootste economie ter wereld kan geen relatief gesloten markt blijven. Als onze produkten overal in de wereld succes hebben, behalve op de Japanse markt, is daar wat mis. Wij willen behoorlijke toegang tot Japan. Dat is uiteindelijk niet alleen in ons belang, maar ook van dat van Japan en van andere handelspartners.”

* Deze Amerikaanse regeringsfunctionarissen waren sprekers op een recente conferentie van de International Herald Tribune/Europees-Amerikaanse Kamers van Koophandel in Washington (DC).