Ga dan zelf naar Bosnië

Het snel krimpend aantal mensen dat de Tweede Wereldoorlog nog 'bewust heeft meegemaakt' herinnert zich behalve de grote drama's die we nu weer herdenken, de onherhaalbare eenvoud en saamhorigheid uit die jaren. Bij kaarslicht met z'n allen om het noodkacheltje suikerbieten raspen, dat komt nooit meer terug. Vijf jaar na het einde van de Koude Oorlog blijkt ook deze historische tijd een licht gevoel van heimwee op te roepen. Velen die de jaren van de deterrent bewust hebben meegemaakt, vertellen het groeiend aantal jongeren dat van die ervaring verstoken is, hoe duidelijk en eenvoudig het toen was. Zoals altijd maakte het geheugen alles buitengewoner en liefst mooier naarmate het langer geleden is. Maar de politici en de intellectuelen hadden het ook toen niet altijd even gemakkelijk. 'Ga dan zelf naar Siberië', is de titel van een instructief boek van Anet Bleich en Max van Weezel, waarin wordt beschreven in welke morele dilemma's destijds de twijfelaars terecht konden komen en hoe ze zich eruit probeerden te redden. De titel was toen (1978) een gevleugelde uitdrukking, diegenen toegevoegd die in de Sovjet-Unie niet voortdurend het volstrekte rijk van het kwaad zagen.

Een afleiding daarvan is dezer dagen geboren. De oprichters van de Franse partij Europa begint bij Sarajevo wordt verweten het slachtoffer te zijn geworden van hun eigen ijdelheid, en - zeggen de critici - als u zo bent begaan met het lot van de Bosnische moslims: “Ga dan zelf naar Bosnië.” Régis Debray die nog zij aan zij met Che Guevara heeft gevochten en die nu scherpe kritiek heeft op de 'salonguerrilla's' van Léon Schwartzenberg en Bernard-Henry Lévy, wordt tot voorbeeld verheven. De critici van de Sarajevo-lijst die nooit met Che door de jungle hebben geslopen, zijn het met de beroemde schrik van de jaren zestig meer dan eens: Lévy blijft liever thuis om zich voor de televisie te vertonen. Hij wordt berispt omdat hij altijd een 'smetteloos wit' overhemd draagt en, volgens de geruchten, zijn nagels laat manicuren.

Het is om verscheidene redenen een interessante discussie. Ten eerste blijkt eruit dat een oud argument - jaren geleden voor het laatst gehoord - nog springlevend is. “Je moet er naartoe gaan als je recht van spreken wilt hebben” en de variant, toen vooral gebruikt in het debat over de apartheid in Zuid-Afrika, door de verdedigers: “Je moet er geweest zijn om erover te kunnen oordelen.” Op het juiste ogenblik met de vereiste overmaat aan luidruchtigheid in gezelschap van zoveel mogelijk medestanders in de strijd gebracht, hebben beide een verpletterende demagogische uitwerking. Zouden ze kracht van wet hebben, dan werd ieder debat, zelfs de hele politiek, de geschiedenis, onmogelijk.

Het tweede punt van belang is de rol van de publiciteit. De initiatiefnemers van de Sarajevo-lijst wordt in feite kwade trouw verweten. Vertaald in directe bewoordingen, zegt een aantal critici dat de oorlog en de doden deze lijstaanvoerders welkom zijn omdat ze daardoor kans zien, de ouderwetse Franse politiek-geëngageerde intellectueel uit te hangen - het type dat met Sartre gestorven leek te zijn. Dat is geen politiek argument meer, maar een nauwelijks vermomde uitbarsting van persoonlijke nijd, opgewekt in het gedrang om de televisietrog. Er blijkt terloops uit hoe de publiciteit om personen, ongeacht hun denkbeelden, de politiek overwoekert; hoe er gekrabd en gebeten kan worden als het erom gaat, zo lang mogelijk de mooiste plaats op het scherm bezet te houden.

Het derde punt is de vraag, welk belang in werkelijkheid de Sarajevo-lijst in de Europese verkiezingen heeft in verhouding tot het vraagstuk waarom het is begonnen: een snel eind te bewerkstelligen aan de oorlog in Bosnië en te voorkomen dat zich daar een regime van fascistisch geweld vestigt. Is het daarvoor noodzakelijk dat intellectuelen zich in de actieve politiek begeven?

Het is wel duidelijk dat degenen in het Westen die van de politiek hun beroep maken, er sinds het begin van deze oorlog niet veel van terecht hebben gebracht. Bovendien zijn er de afgelopen paar jaar maar weinig mogelijkheden geweest om de politiek dit te laten weten op de enige manier die voelbaar is: via de stembus. De Sarajevo-lijst biedt de eerste opening om het niet te laten bij pogingen, 'druk uit te oefenen' maar in de politiek door te dringen. De Sarajevo-lijst, schrijft Le Monde, “verplicht de regering, haar politiek in Bosnië te rechtvaardigen”. De Sarajevo-lijst, die volgens opiniepeilingen tussen de zeven en twaalf procent zou halen, bedreigt aldus een politiek systeem dat zich op een reeks van beslissende ogenblikken verlamd heeft getoond toen het een besluit moest nemen. Als nu een paar kandidaten van de Sarajevo-lijst worden gekozen is dat een motie van wantrouwen, een becijferde waarschuwing aan het adres van dit systeem.

Dat kan zijn nut hebben maar uit zo'n resultaat ontstaan drie vragen. Wat zullen de gekozenen van de Sarajevo-lijst met hun mandaat kunnen beginnen, dat wil zeggen, welke invloed zullen zij, amateurs in de politiek, kunnen uitoefenen, en dan: ten behoeve van welke besluiten? De Joegoslavische crisis, als een lokaal vraagstuk begonnen, is ingekankerd in het hele gebied van de westelijke politiek, van Washington en Athene tot Moskou en Ankara. Niemand kan de illusie hebben dat dit vraagstuk door een relatief plaatselijke inmenging nog maar een begin van een oplossing zal kunnen krijgen. Ten tweede: zijn degenen die zich als 'de stem van het geweten' aandienen, ongeacht de precieze inhoud van hun denkbeelden, ook degenen die de politiek een betere leiding kunnen geven? Ten derde, de belangrijkste vraag: deugen de denkbeelden wel?

“Schrijvers moeten niet in de politiek gaan”, schreef K.L. Poll toen Václav Havel president van Tsjechoslowakije werd. Later is gebleken dat voor dit standpunt wel iets te zeggen viel. Havel heeft de splijtende werking van het nationalisme niet kunnen voorkomen en hij is toch president gebleven. Misschien had hij beter een mooi toneelstuk over dat drama kunnen schrijven.

Zal het de dames en heren van de Sarajevo-lijst vergaan zoals Havel? Of ernstiger, zal straks blijken, als ze hun zin zouden krijgen, dat ze tovenaarsleerlingen zijn? Komen ze niet twee jaar te laat? In ieder geval hebben ze nu, op het beste ogenblik, de kans gegrepen om te laten zien dat er niet altijd een rechtvaardiging gereed ligt om je handen in onschuld te wassen.