De flonkering van doodgewoonheid

Ik weet niet of er een algemene geschiedenis van de trompe-l'oeil bestaat. Van Pompeï tot Panorama Mesdag, zeg maar, met renaissance en Barok als hoofdschotel. Waarin de verschillende ontdekkingen en specialisaties getraceerd worden.

Inderhaast heb ik er geen gevonden. Ik had even willen naslaan welke passen, gezet in die geschiedenis, op naam geschreven zouden kunnen worden van de schilder-schrijver Samuel van Hoogstraten. Hij is geboren (1626), getogen, en begraven (1678) in Dordrecht, maar was destijds een man van Europese reputatie.

De eerste keer dat ik werk van hem zag moet zijn geweest op de wonderbaarlijke tentoonstelling Anamorfosen in het Rijksmuseum (1975), waar een zogenaamde perspectiefkast van hem te zien was. Waarbij men zich een fors uitgevallen stoof moet voorstellen met achter de glazen voorkant een bizar Hollands interieur; bizar, omdat de vijf beschilderde vlakken perspectivisch pas op hun plaats vallen wanneer men ze bekijkt door een van de twee kijkgaatjes in de linker en rechter wand.

Dat was kunstig en bijzonder, maar ik was het allang weer vergeten. Ik kwam hem, voor mijn gevoel nu pas voor het eerst, opnieuw tegen in een boek over stillevens, dat onder andere veel indruk op me maakte door de grote nauwkeurigheid waarmee diverse specialismen van het stilleven, stuk voor stuk Nederlandse uitvindingen, gedateerd waren. Zo bleken er 'ontbijtjes' te zijn geweest, 'tabakjes', en zo meer; subgenres die hooguit een jaar of tien beoefend werden en dan kennelijk alweer uit waren. Ontbijtjes - damast, roemer, broodje, kaas, vruchten - duurden bij voorbeeld van 1620 tot 1630 (als ik me goed herinner).

In dat boek stond dus ook een schilderij van Samuel van Hoogstraten dat ik schitterend vond. Het doek deed of het een soort van wandrekje was, dat voornamelijk bestond uit een drietal leren riemen, met koperen spijkertjes losjes bevestigd aan iets als een paneel. Tussen die riempjes waren dingen gestoken: een schaar, een kam, papier, een medaillon, een bril - een stuk of wat min of meer dagelijks gebruikte dingen.

Zo'n schilderij, las ik, werd een bedriegertje genoemd. Welk woord dan een Nederlandse voorzaat moet zijn geweest van de, dacht ik, pas later in zwang gekomen term trompe-l'oeil.

In een vorig jaar verschenen boek over Van Hoogstraten, bij mijn weten het eerste, staat diens gehele gesigneerde werk afgebeeld. Nu valt te concluderen dat de schilder zijn persoonlijke bezittingen geschilderd moet hebben. De schaar, het medaillon, de kam: ze komen op de acht bewaarde bedriegertjes meer dan eens voor in telkens verwante composities. Waarvan er twee jaar geleden een is aangeschaft door het Dordrechtse Museum; dat overigens een uiterst bezienswaardige, niet eens zo kleine collectie van onder meer stillevens bezit die wat mij betreft direct of niet ver na die van Rijksmuseum en Mauritshuis komt.

Niet bekend

Ook elders in de biografie van Houbraken blijkt dat de meester van perspectivische grappen gehouden moet hebben. In Van Hoogstratens huis bevonden zich diverse proeven van bekwaamheid: een appel, peer, of limoen in een schotelrek; “ginder een muil of schoen op een uitgehakt plankje geschilderd”; “als mede zoute gedroogde schollen, die op een geplamuurd doek geschilderd, en uitgesneden, hier of daar achter een deur aan een spijker hingen”. (Waarbij we natuurlijk in gedachte moeten houden dat de verlichting in de zeventiende eeuw wat scherpte en gelijkmatigheid betrof niet erg geleken zal hebben op de onze.)

Waar een modaal museumbezoeker als ik aan denkt bij een trompe-l'oeil, dat is aan de effecten die men najoeg in renaissance-paleizen en barokkerken. Daar was de (fresco)schilderkunst vooral in dienst van de architectonische ruimte, die ook daar werd voortgezet waar zij afgesloten was; in ramen, portalen, en plafonds die niet waren wat zij waren.

Het oorspronkelijke van Van Hoogstraten is, denk ik, dat zijn bedriegertjes in de geschiedenis van de trompe-l'oeil plotseling iets geïntroduceerd hebben wat er nog niet was; de bescheiden ruimtelijkheid van de burgerwoning, gedemonstreerd aan de hand van iets zo dagelijks en nederigs als kastje en rek.

Maar het zou de schilder buitengewoon verbaasd hebben, neem ik aan, gewaar te worden dat zijn bedriegertjes, enkele eeuwen na zijn dood, en voorzien van de weloverwogen verlichting waarop kunst in musea recht heeft, bewonderd worden, en dan niet zozeer om hun net-echtheid (hoewel: ook best een beetje), maar vooral om de flonkering - die modern is geworden en gebleven - waarmee hij doodgewoonheid wist te bekleden.