Beurs vooral zelf debet aan geringe animo introducties

AMSTERDAM, 1 JUNI. Een gang naar de Amsterdamse effectenbeurs is voor een Nederlandse onderneming vaak een grote sprong voorwaarts. Met de uitgifte van nieuwe aandelen kan vers kapitaal worden aangetrokken om overnames of grote investeringen te betalen. Bestaande aandeelhouders krijgen de kans hun slapende belegging te gelde te maken. Een beursnotering geeft een zekere status en een grotere naamsbekendheid. Sommige directies gebruiken het koersverloop van het aandeel bovendien als managementtool om hun onderneming scherp te houden.

Het afgelopen jaar waren de omstandigheden ideaal voor een beursintroductie. Op de beurs woedde een hausse, waarbij de aandelenkoersen met 40 procent stegen. De animo is dit jaar niet geluwd. In de eerste vier maanden van dit jaar werd voor 19,5 miljard gulden aan nieuwe aandelen uitgegeven (5,1 miljard in heel 1993) en 18,9 miljard aan obligaties (28,7 miljard in heel 1993).

Het aantal nieuwe beursfondsen is echter op de vingers van een hand te tellen. Bouwbedrijf Heijmans kwam vorig jaar op de beurs en collega-bouwer Ballast Nedam vorige maand. Het handelsbedrijf Ceteco is net gearriveerd. Het post- en telecommunicatiebedrijf KPN volgt deze maand. Heijmans en Ballast waren spijtoptanten: zij hadden eerst gepoogd te fuseren met respectievelijk Breevast en Boskalis voordat zij besloten zelfstandig een notering aan te vragen.

De huidige terughoudendheid van ondernemingen staat in schril contrast met de gretigheid tijdens de vorige beurshausse, eind jaren tachtig. DSM, Daf, Pirelli, Randstad, Air Holland, en Free Record Shop zijn enkele namen uit die hoogtijdagen. “In die tijd konden we bijna dagelijks een nieuwe beursintroductie aankondigen”, zei voorzitter drs. B.F. baron van Ittersum gisteren weemoedig bij de presentatie van het jaarverslag over 1993.

Niet voor de eerste keer de laatste weken sprak Van Ittersum zijn zorg uit over de aantrekkingskracht van de zogeheten 'primaire markt' op ondernemingen. De Amsterdamse effectenbeurs heeft voortdurend behoefte aan nieuw bloed, al was het maar om het jaarlijkse verlies van beursfondsen op te vangen: vorig jaar gingen Daf, Verto en Palthe bijvoorbeeld failliet. De beurs in Amsterdam heeft nieuwe bedrijven bovendien hard nodig om de positie te handhaven ten opzichte van andere beurzen in Europa die vorig jaar spectaculair groeiden.

De beurs zoekt de oorzaak van het uitblijven van beursintroducties bij de 'drempelvrees' van de onderneming en het gebrek aan 'financiële structuur' bij de banken die de beursintroductie moeten verzorgen. Beursrijpe ondernemingen zouden het vervelend vinden publiekelijk verantwoording te moeten afleggen voor hun resultaten. Nederlandse banken zouden achterlopen bij de agressieve merchant bankers in de VS en Groot-Brittannië.

Het beeld dat de beurs oproept strookt echter nauwelijks met de realiteit. Bedrijfsfinancierings-experts van accountantskantoren, managementsadviesbureaus en vooral banken lopen de deur bij bedrijven plat om hen te bewegen tot de voor adviseurs zeer profijtelijke beursgang. ABN Amro 'doet' KPN, terwijl ING onlangs de op creatieve wijze verkregen aandelen Ballast Nedam herplaatste. Evenmin verklaart dit waarom bedrijven destijds wel en nu niet naar de beurs gaan.

In werkelijkheid lijkt vooral de beurs zelf bedrijven de toegang te versperren door strenge toelatingseisen. W.A. Verburg, hoofd primaire markt van de beurs, maakte daarop gisteren een toespeling: “Bedrijven met de grootste behoefte aan venture capital (risicokapitaal; red) zijn high tech-bedrijven, actief in bijvoorbeeld biotechnologie. Dat zijn net de bedrijven die nog geen track record hebben opgebouwd.”

Bedrijven moeten voor een beursnotering een eigen vermogen hebben van minimaal 10 miljoen gulden en een te plaatsen aandelenkapitaal van minimaal 100 miljoen gulden. Bovendien moet in de vijf jaren voor de beursgang winst zijn gemaakt. Deze toelatingseisen zijn minder streng dan die tot voor kort golden voor de hoofdmarkt, maar aanzienlijk strenger dan de eisen voor de parallelmarkt die binnenkort verdwijnt. De parallelmarkt is ruim tien jaar geleden opgezet als “kraamkamer” voor jonge beursfondsen. De toelatingseisen zijn door de beurs verscherpt na enkele debâcles met fondsen die vrij snel na de introductie ten onder gingen, zoals Infotheek, Air Holland en Textlite.

Bij de beursintroducties hinkt het beursbestuur op twee gedachten. Enerzijds wil de beurs actiever de boer op om ondernemingen te overtuigen van het nut van een beursgang. Anderzijds wil het bestuur beleggers beschermen tegen de risico's van bedrijven die achteraf niet beursrijp blijken. “Als de introductiegolf eenmaal op gang is gekomen, dan treden wij terug om te oordelen of alles goed verloopt, dan ligt daar onze verantwoordelijkheid”, gaf Van Ittersum zelf aan.

Bij de keuze tussen het openen van mogelijkheden voor bedrijven om nieuw kapitaal aan te trekken en de beperking van risico's voor beleggers heeft de beurs gekozen voor het laatste. Vraag is of de beurs onder druk van de publiciteit rond de debâcles daarin niet te ver is doorgeschoten. Beleggers die bang zijn hun geld te verliezen kunnen immers ook een obligatie kopen of deelnemen in een beleggingsfonds. Niet voor niets worden aandelen risicodragend kapitaal genoemd. Tegenover een hoger risico staat ook een hoger rendement.

Het gevolg van de bescherming van de beleggers is dat riskante maar veelbelovende bedrijven hun heil zoeken bij participatiemaatschappijen en particuliere investeerders. De beurs dreigt de thuishaven te worden van oerdegelijke bedrijven als Heijmans en Ballast Nedam, die elk jaar 'bevredigend' afsluiten. Voor de Amsterdamse effectenbeurs lijkt een variatie op een cliché over banken van toepassing: de beurs geeft alleen een paraplu als zij zeker weet dat het niet gaat regenen.