Bedrijfspensioenfondsen worden knellend harnas

Ondernemingen ervaren de verplichte bedrijfstak pensioenfondsen steeds meer als een knellend en inflexibel harnas, dat de concurrentie belemmert en kosten- verhogend werkt. De roep om keuzevrijheid bij de deelneming in een pensioenregeling klinkt dan ook alsmaar luider. Hoe lang houden de bedrijfspensioenfondsen zich nog staande?

Op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds uit 1949 kan de minister van sociale zaken en werkgelegenheid het deelnemen in een bedrijfspensioenfonds verplicht stellen. Door de verplichtstelling komt in de bedrijfstak waarvoor het bedrijfspensioenfonds geldt, in feite een wettelijk verplichte pensioenverzekering tot stand. Alle werknemers in die bedrijfstak en hun werkgevers moeten zich bij het bedrijfspensioenfonds aansluiten. Keuzevrijheid is hier, behoudens de mogelijkheid van ontheffing, niet aanwezig.

Nederland kent een wijd vertakt stelsel van verplicht gestelde bedrijfspensioenfondsen en sociaal-economisch vormen zij een machtig blok. Er zijn 81 bedrijfspensioenfondsen, waarvan er 66 verplicht zijn gesteld. In totaal hebben de bedrijfspensioenfondsen bijna twee miljoen aangesloten werknemers. Er zijn enkele heel grote bedrijfspensioenfondsen met enkele duizenden werknemers, zoals het fonds voor de Metaalindustrie of het PGGM voor de gezondheidszorg. Ook zijn er fondsen met slechts enkele tientallen werknemers, bijvoorbeeld het bedrijfspensioenfonds voor de Orgelbouwers. Het stelsel van bedrijfspensioenfondsen breidt zich nog uit. Zo zijn de afgelopen jaren nieuwe fondsen opgericht voor de roeiers in de Rotterdamse haven en voor de beveiligingsbranche. Sinds de privatisering per 1 januari 1994 heeft ook het Spoorwegpensioenfonds de status van bedrijfspensioenfonds. Naast de bedrijfspensioenfondsen voor werknemers bestaan verder verplichte fondsen voor beoefenaren van vrije beroepen. Er zijn beroepspensioenfondsen voor onder andere huisartsen, tandartsen, medisch specialisten en fysiotherapeuten.

De Wet verplichte deelneming was primair bedoeld om de concurrentie in een bedrijfstak tegen te gaan. Het ging om gelijkschakeling van alle werknemers wat hun pensioenrechten betreft. Gaandeweg is het accent verschoven naar een sociale doelstelling. Voor de totaliteit van werknemers in een bedrijfstak dient een goede pensioenregeling te gelden, zonder dat individuele omstandigheden een rol spelen. Het functioneren van bedrijfspensioenfondsen is daarom gebaseerd op onderlinge solidariteit. Solidariteit tussen jongere en oudere werknemers, solidariteit tussen werknemers met een gering en werknemers met een groot arbeidsongeschiktheidsrisico. De bedrijfspensioenfondsen hebben additionele voordelen. De 'witte pensioenvlek' (werknemers zonder aanvullende pensioenregeling) wordt teruggedrongen. Werkgevers kunnen er namelijk niet voor kiezen geen pensioenregeling te treffen, als een verplicht bedrijfspensioenfonds van toepassing is. Voorts ontstaat voor de werknemer in beginsel geen pensioenbreuk als hij van baan verandert binnen de bedrijfstak waarvoor hetzelfde bedrijfspensioenfonds geldt. Gaat de werknemer van het ene metaalbedrijf naar het andere metaalbedrijf, dan blijft hij aangesloten bij het bedrijfspensioenfonds voor de Metaal.

Ondanks deze mooie uitgangspunten is er toenemende kritiek op de verplichte bedrijfspensioenfondsen. De kritiek loopt deels parallel met de bezwaren tegen de maatregel van het algemeen verbindend verklaren van cao's. De verplichte toetreding tot een regeling leidt tot uniformiteit en verstarring, terwijl er maatschappelijk juist vraag is naar differentiatie en flexibiliteit. Het voeren van een eigen arbeidsvoorwaardenbeleid door een individuele onderneming zou worden bemoeilijkt. De verplichte regelingen zouden de concurrentie met verzekeringsmaatschappijen uitschakelen en daardoor in de weg staan aan produktinnovatie en prijsconcurrentie. En tenslotte: als de werknemer in een andere bedrijfstak gaat werken, of bij een bedrijf waarvoor geen verplicht bedrijfspensioenfonds geldt, ontstaat een pensioenbreuk. De werknemer moet dan immers uit het bedrijfspensioenfonds treden. Vanwege dit laatste pleitte de VVD onlangs nog voor afschaffing van de verplichte bedrijfspensioenfondsen. Werknemers zouden vrij moeten zijn om te kiezen waar zij een pensioenregeling willen afsluiten.

In deze kritiekpunten schuilt wel een kern van waarheid. Of dat tot afschaffing van de verplichte regelingen moet leiden, is echter de vraag. Kan aan de kritiek niet binnen de bedrijfspensioenfondsen tegemoet gekomen worden? Bij beantwoording van deze vraag zal dan mede de sociale dimensie van bedrijfspensioenfondsen betrokken moeten worden. Solidariteit kan nu eenmaal niet zonder verplichtingen. Zonder dwang zouden alle goede - verzekeringstechnisch goedkope - risico's uit het bedrijfspensioenfonds treden. Het bedrijfspensioenfonds zou achterblijven met de slechte en dure risico's. Dit zou logischerwijs het einde van het huidige systeem van bedrijfspensioenfondsen betekenen. Op grond van deze zelfde reden kantte de voorzitter van de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen zich onlangs tegen de gedachte om startende ondernemingen vrij te stellen van de verplichting om zich bij een bedrijfspensioenfonds aan te sluiten.

Hiernaast is verplicht bij bedrijfspensioenfondsen zeker niet synoniem met star en inflexibel. Zowel bij de inhoud als bij de uitvoering van de pensioenregeling is flexibiliteit mogelijk. Qua inhoud heeft de regeling van een bedrijfspensioenfonds natuurlijk zekere collectief geldende aspecten, maar tevens is het mogelijk aan individuele werknemers of per onderneming keuzemogelijkheden te bieden in de samenstelling van het pensioenpakket. Voor de hand liggende keuzemogelijkheden zijn die met betrekking tot de ingangsdatum van het ouderdomspensioen en de keuze voor een nabestaandenpensioen. Sommige bedrijfspensioenfondsen hebben deze keuzemogelijkheid al in hun pensioenreglement vastgelegd. Keuze bij de uitvoering van een pensioenregeling is mogelijk doordat een bedrijfspensioenfonds vrijstelling verleent van de verplichte aansluiting bij het bedrijfspensioenfonds. Een onderneming is dan in staat de pensioenregeling onder te brengen bij een eigen ondernemingspensioenfonds of bij een professionele verzekeringsmaatschappij. Een voorwaarde om vrijstelling te krijgen is wel dat de onderneming voor haar personeel een pensioenregeling heeft, die inhoudelijk gelijkwaardig is aan de regeling van het bedrijfspensioenfonds. In de praktijk leggen de bedrijfspensioenfondsen deze gelijkwaardigheidseis strikt uit en eisen zij gelijkwaardigheid op elk afzonderlijk onderdeel van de regeling. Een iets globalere toets zou in sommige gevallen wel redelijk zijn door alleen naar de hoofdlijnen van de regeling te kijken. Een betere voorziening op het ene onderdeel is dan als compensatie te zien voor een slechtere regeling op een ander onderdeel van de pensioenregeling. Door deze meer globale toets is het bedrijfspensioenfonds minder een keurslijf, dan het nu soms wordt gevoeld.

Dan het punt van de pensioenbreuk. Dit kan goeddeels worden ondervangen door aan waardeoverdracht van pensioenrechten te doen bij baanverandering. Door een wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet zal de werknemer binnenkort een recht op waardeoverdracht krijgen. Vooruitlopend daarop is mede op initiatief van de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen al een eigen zogenaamd circuit voor waardeoverdracht opgericht.

Al met al lijkt de balans dat het sociale karakter de belangrijkste kracht is van bedrijfspensioenfondsen, terwijl de bezwaren binnen de verplichtstelling oplosbaar zijn. Maar er is nog een Europese dimensie. Het EG-verdrag verbiedt monopolievorming en concurrentie belemmerende afspraken. De verplichtstelling geeft bedrijfspensioenfondsen een zekere monopolie-positie.

Verzekeringsmaatschappijen kunnen in beginsel, dat wil zeggen: behoudens vrijstelling, niet optreden op de bedrijfspensioenfondsenmarkt. Door de Nederlandse rechter is daarom in oktober vorig jaar aan het Europese Hof van Justitie in Luxemburg de vraag voorgelegd of zo'n verplichtstelling wel verenigbaar is met het EG-verdrag. De vraag had weliswaar betrekking op een beroepspensioenfonds, maar is ook voor bedrijfspensioenfondsen van belang. De pensioenwereld kijkt met spanning uit naar de uitspraak van de Europese rechter.