Amnesty: China moet gevangenen van juni-opstand in 1989 vrijlaten

PEKING, 1 JUNI. De mensenrechtenorganisatie Amnesty International heeft China gisteren opgeroepen de duizenden politieke gevangenen die nog vastzitten wegens hun deelname aan de democratiseringsbeweging op het Plein van de Hemelse Vrede in juni 1989 vrij te laten. De Chinese regering deed Amnesty en zijn gisteren vrijgegeven rapport af als onbetrouwbaar en bevooroordeeld. “Het (Amnesty) heeft in het verleden vele ongegronde en onverantwoordelijke rapporten uitgegeven.” “Chinese gevangenissen behandelen gevangenen op humanitaire en beschaafde wijze, in overeenstemming met de wet.”

Amnesty noemt in het rapport 171 politieke gevangenen die in de Qinghe Boerderij, een gevangenis buiten Peking, opgesloten zijn. Ook meldt de organisatie een oproep van meer dan veertig politieke gevangenen in de Hanyang gevangenis in de provincie Hubei om een eind te maken aan de slechte omstandigheden in hun gevangenis.

Deze gedetineerden, die veroordeeld zijn tot straffen van twee tot dertien jaar, zeggen dat ze als politieke gevangenen slechter behandeld worden dan 'gewone' gedetineerden. Zij maken melding van martelingen en mishandelingen.

Een zesentwintigjarige student, beschuldigd van 'contra-revolutie', het omverwerpen van de communistische partij, werd herhaaldelijk elektrische schokken toegebracht omdat hij langzaam op orders reageerde. “Iedere gevangene heeft een dergelijke geschiedenis van bloed en tranen”, schrijven de gedetineerden. “We mogen niet lezen en schrijven; we kunnen niet lachen en zingen; we mogen geen bezoek ontvangen of brieven schrijven.”

Amnesty onthult tevens voor het eerst de namen van 75 mensen die omkwamen bij het bloedbad dat regeringstroepen aanrichtten in de nacht van 3 op 4 juni bij het neerslaan van de opstand en in de dagen daarna.

Tot nu toe was de identiteit van veel slachtoffers onbekend. De Chinese autoriteiten hebben altijd geweigerd een lijst met doden uit te geven. Wel gaf de toenmalige burgemeester van Peking, Chen Xitong, indertijd toe dat 200 burgers het leven hadden verloren toen het leger een eind maakte aan de democratiseringsbeweging. Volgens hem waren 3.000 burgers gewond, samen met 6.000 militairen en politiemannen.

Ten minste 32 studenten op de lijst van Amnesty zijn neergeschoten door het leger, of verpletterd door pantservoertuigen. Vijf slachtoffers waren scholieren. Het jongste slachtoffer, een jongen van negen jaar, was in zijn hoofd, borst en rug geschoten.

Amnesty zegt dat de 75 genoemde slachtoffers slechts enkelen zijn van de honderden burgers die begin juni 1989 in Peking zijn vermoord. Tevens noemt de organisatie de namen van een aantal mensen die, zonder enige vorm van proces, geëxecuteerd zijn na 4 juni. Een van hen was een negentienjarige student die in de rug werd geschoten, omdat hij niet onmiddellijk gehoor gaf aan een bevel stil te staan.

Amnesty kreeg informatie uit verschillende bronnen. Sommige details zijn summier, omdat familieleden van de slachtoffers te bang waren voor represailles waren om bijzonderheden te geven.

In afwachting van de vijfde verjaardag van de opstand, zaterdag, hebben de autoriteiten de controle in de hoofdstad verscherpt. Dissidenten worden streng in de gaten gehouden.

(AP, Reuter)