Akzo-directeur: hoed af voor vakbeweging; Vertrekkende Van Es zorgde bij concern voor cultuuromslag

ARNHEM, 1 JUNI. Hij heeft heel wat robbertjes met de vakbonden gevochten. Maar bij zijn afscheid (gisteren) als directievoorzitter van Akzo Nederland wil dr. A. van Es de bonden nog wel even een compliment maken. “Waar kom je een vakbeweging tegen die in twee jaar tijd van een looneis van 4 procent op bijna 0 procent gaat zitten? Nergens. Minister De Vries mag dan vinden dat de remweg te lang was, maar als je te hard op de rem trapt vlieg je met je kop door de voorruit. Nee, wat mij betreft: chapeau voor de Nederlandse vakbeweging.”

Het chemiebedrijf Akzo - sinds kort Akzo Nobel - profileert zich graag als een innovatief concern. Van Es (62) heeft daaraan het zijne bijgedragen door van Akzo ook een trendsetter in arbeidsvoorwaarden te maken. Winstgerelateerde beloning, recht op scholingsverlof, kleinhandel in ATV-dagen, afscheid van de collectieve vervroegde uittreding (VUT) en een speciale polikliniek om zieke werknemers bij voorrang te laten behandelen - het kwam allemaal uit de koker van Van Es, die samen met zijn rechterhand, directeur arbeidszaken R.W.P.A.M. de Leij, vanuit het hoofdkwartier van Akzo Nobel in Arnhem de noodzakelijk geachte cultuuromslag in het denken over arbeidsvoorwaarden leidde.

Ruim zeven jaar geleden maakte Van Es, chemicus van origine, de overstap van de (toenmalige) divisie Akzo Zout Chemie naar Akzo Nederland (nu bijna 20.000 werknemers). Hij keek zijn ogen uit. “Ik was gewend te werken met een business plan. Maar dat was er niet. Fascinerend hoe dat ging. Aan de vooravond van overleg over een nieuwe CAO stuurden alle bonden brieven met hun verlangens. Het had veel weg van: Roept u maar! Ik dacht: 'Dat kan toch niet, zo ga je toch niet met elkaar om'. De CAO is een instrument dat beìde partijen moeten gebruiken.”

Aldus geschiedde. Akzo kwam met een eigen eisenpakket en ging nadrukkelijk 'communiceren' wat het bedrijf wilde en van zijn werknemers verwachtte. 'Wendbaarheid' stond en staat daarin centraal, zegt Van Es, die niet is ontgaan dat inmiddels bijna iedereen de mond vol heeft van flexibiliteit. “Je moet een wendbare onderneming zijn, anders kom je niet meer mee. Dat vergt een minder knellende CAO, dus meer ruimte voor de eigen verantwoordelijkheid. Onze leidraad werd: je kunt alleen wendbaar zijn als je de mensen weerbaar maakt.”

Vier CAO's sloot Van Es met de bonden, en alle vier hadden ze iets bijzonders. In het eerste contract (1988/89) werd enige variabele beloning geïntroduceerd, “om een beetje te kunnen mee-ademen met de gang van zaken in het concern”. Sindsdien schommelt de aan de concernwinst gerelateerde uitkering tussen de 1,7 en 4,7 procent van het jaarloon. “Daar kun je ook brood voor kopen”, mag Van Es de bonden graag voorhouden als ze over loonsverhogingen beginnen.

In dezelfde CAO werd scholingsverlof geregeld. Niet in de vorm van een vast aantal dagen voor alle werknemers, zoals de bonden wilden, maar alleen voor degenen voor wie het “nuttig en/of nodig” is, zoals Akzo wilde. Kwantificeren zou averechts werken, zegt Van Es, “want de ene werknemer heeft één dag nodig en de ander misschien wel een week.”

In het daaropvolgende contract (1990/91) kreeg het hoger personeel de mogelijkheid een deel van de verlofdagen te verkopen. Vervolgens (1992) schreef Akzo geschiedenis door als een van de eerste grote concerns de collectieve VUT op de helling te zetten. De bonden sputterden tegen, maar stemden er na een marathonzitting van 23 uur mee in dat de regeling geleidelijk wordt afgeschaft en vervangen door de FUT (flexibele uittreding vanaf 60 jaar) die de werknemer zelf moet financieren. De operatie kostte de eerste onderhandelaar van de Industriebond FNV bijna de kop, maar met een kwart procentje extra loon redde Van Es zijn 'counterpart', zoals hij hem bemoedigend aanduidt.

En vorig jaar ging ten slotte een andere, al langer gekoesterde wens van Akzo in vervulling: na het hoger personeel kreeg ook het middenkader de mogelijkheid een deel van de ATV-dagen te verkopen. Ook werd ouderschapsverlof voor mannen geregeld.

Akzo had natuurlijk meer gewild, Van Es maakt daar geen geheim van. Het afscheid van de VUT is door de bonden wel erg opgerekt (het laatste restje collectiviteit vervalt in 2017), de handel in verlofdagen had best wat royaler mogen uitvallen en de gezondmaking van de in permanente staat van reorganisatie verkerende vezelfabrieken vergt wel een erg lange adem. Maar het meest zit hem wellicht nog dwars dat het, ondanks herhaalde pogingen, niet is gelukt een echt begin te maken met prestatiebeloning. Een onderwerp dat zijn opvolger P.J. Baart, afkomstig van de farmaceutische dochteronderneming Diosynth (biochemie) in Oss, zeker opnieuw zal aansnijden.

Van Es verheelt niet dat er nadelen kleven aan de rol van gidsbedrijf in arbeidsvoorwaarden. “Het is de kunst te voorkomen dat je in de maatschappij een positie ontwikkelt waarbij de indruk onstaat van: Oh, Akzo moet weer zo nodig. Het is een kwestie van doceren en doseren. Je moet de mensen mee zien te krijgen en je moet oppassen dat je ze niet overvoert. In 1990 viel ons voorstel voor 'flexitime' (17 van de 37 vrije dagen verhandelbaar maken, red.) volkomen verkeerd. Dat trokken we niet.”

Meer maatwerk in arbeidsvoorwaarden mag de hoofdtrend zijn, Akzo Nobel voelt er niets voor het CAO-overleg over te hevelen naar de twee jaar geleden opgerichte business units. “We hechten aan een CAO voor de hele onderneming. Verdere decentralisatie geeft onbalans.” Netzomin is Akzo Nobel van plan de ondernemingsraad bij het CAO-overleg in te schakelen. “Van de vakbonden mag je en kun je verwachten dat zij een zekere afstandelijkheid in acht nemen en ook andere zaken inbrengen en meewegen. Anders ga je naar het Japanse model, met louter bedrijfsbonden. Dat willen we niet.”

Bijna dertig jaar 'diende' hij Koninklijke Zout Organon, Akzo en Akzo Nobel. “Gezond de poort uit, dat is toch het mooiste afscheid dat je je kunt wensen”, zegt Van Es, die gisteren door minister Andriessen werd geridderd. Ook bij de werkgeversorganisaties VNO en AWV stapt hij uit het bestuur, maar hij houdt een handjevol commissariaten (recentelijk uitgebreid met het voorzitterschap van de raad van commissarissen van de Noordelijke Ontwikkelings-Maatschappij) en enkele bestuursfuncties in de gezondheiszorg en het universitair onderwijs in Twente.