Benzineprijs is een maatstaf voor de toekomst van Haïti

PORT-AU-PRINCE, 28 MEI. Sinds het door de Verenigde Naties ingestelde embargo tegen Haïti vandaag een week geleden werd verscherpt zijn de benzineprijzen op de zwarte (en enige) markt in de hoofdstad Port-au-Prince opvallend genoeg licht gedaald. Ook van lange rijen voor de benzinestations, zoals vorig jaar oktober tijdens de crisis rond de mislukte terugkeer van de verdreven president Jean-Bertrand Aristide, is geen sprake meer. Voor wie het kan betalen is er volop benzine. Hoewel er minder verkeer op straat is dan in betere tijden, rijden de tap tap-minibusjes en de Tête de Boeuf-terreinauto's nog vrolijk hun slaloms rond de soms mansdiepe gaten op het Haïtiaanse wegennet.

Overal in de hoofdstad wordt op straat benzine te koop aangeboden in kleine hoeveelheden. Meestal vaatjes van een Haïtiaanse gallon (3,7 liter), maar ook kleinere hoeveelheden kunnen worden afgenomen. De marktprijs eind deze week: 22 Haïtiaanse dollars per gallon, of bijna vier gulden per liter. Daarmee is de benzineprijs lager dan een paar weken geleden, toen voor een gallon nog ruim dertig Haïtiaanse dollars moest worden betaald.

De prijsdaling is te danken aan de overvloedige aanvoer van benzine vanuit het buurland de Dominicaanse Republiek. Ondanks - of beter gezegd dank zij - het totale embargo tegen het Haïtiaanse militaire regime is de illegale grenshandel in benzine opgebloeid. Zo'n 600 kleine smokkelaars ontlenen daaraan een bron van inkomsten en vermoedelijk levert die de Haïtiaanse machthebbers nog meer verdiensten op dan de lucratieve smokkel van verdovende middelen en andere contrabande waarmee het hogere echelon van het leger zich volgens internationale waarnemers in Haïti sinds lang bezig houdt.

Woensdag nog nam de Amerikaanse ambassadeur in Haïti, William Swing, persoonlijk een kijkje bij de grensovergang van Malpasse, op een uurtje rijden van de Haïtiaanse hoofdstad. Door een krachtige verrekijker kon de ambassadeur persoonlijk waarnemen hoe enkele vaten benzine vanuit de Dominicaanse Republiek het buurland werden ingerold.

Maar de handel bij Malpasse is slechts een fractie van het smokkelverkeer dat zich in de noordoostelijke grensplaats Ouanaminthe afspeelt, zegt Jean-Marie Bouchereau. Deze eigenaar van het Budget-autoverhuurbedrijf in Port-au-Prince is, net als elke andere autobezitter, volkomen afhankelijk van de benzinesmokkel vanuit de Dominicaanse Republiek.

Donderdag was een slechte dag voor Bouchereau. Bij een verkeersongeluk tijdens de ruim acht uur durende rit van Ouanaminthe naar de hoofdstad raakte hij een vrachtwagen met 2.000 gallon benzine kwijt. De wagen was enkele uren daarvoor gevuld met benzine die door ruim 200 smokkelaars in kleine hoeveelheden was aangedragen. Die hadden daarvoor ongeveer elf Haïtiaanse dollars per gallon betaald aan hun Dominicaanse collega's, die de brandstof over de smalle grensbrug hadden aangevoerd vanuit Dajabón in de Dominicaanse Republiek. “De smokkelaars houden één Haïtiaanse dollar per gallon over”, zegt Bouchereau.

De meeste waarnemers in Port-au-Prince zijn het met elkaar eens dat de benzineprijs de toekomst op korte termijn van het land zal bepalen. De recente prijsdaling zal slechts van tijdelijke aard zijn, zo meent men. “Het is interessant om de benzineprijs in de gaten te houden de komende dagen”, zegt Stanley Schrager, woordvoerder van de Amerikaanse ambassade in Port-au-Prince. “De komende politieke ontwikkelingen zullen daar sterk van afhangen”.

Bouchereau drukt het zo uit: “De militairen zijn nog aan de macht omdat er benzine wordt aangevoerd vanuit de Dominicaanse Republiek”. In die situatie kan nu snel verandering komen. Onder Amerikaanse druk heeft de hoogbejaarde Dominicaanse president Joaquín Balaguer woensdag toegezegd de controle aan de grens te zullen verscherpen. Er zouden nu ruim 15.000 Dominicaanse militairen patrouilleren langs de grens met Haïti. De eerste berichten uit Ouanaminthe willen dat de benzinestroom inderdaad is teruggebracht tot een klein straaltje.

De gespannen situatie in de Dominicaanse Republiek zelf vormt een complicerende factor voor de crisis in het buurland. Nog steeds is er geen officiële uitslag van de verkiezingen die op 16 mei zijn gehouden. President Balaguer wordt er door de oppositie van beschuldigd fraude te hebben gepleegd met het stembusproces. De 87-jarige en vrijwel blinde president is al sinds 1966 aan de macht in het land, met een onderbreking van acht jaar toen de oppositie tussen 1978 en 1986 het roer kon overnemen. Balaguer wordt gezien als een vriend van de militairen in Haïti, en in elk geval als een verklaarde vijand van de in 1991 verdreven Haïtiaanse president Aristide.

De nauwelijks verhulde steun van Balaguer aan de militairen in het buurland heeft het Haïtiaanse regime in staat gesteld drie opeenvolgende embargo's van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) en de VN aan zijn laars te lappen. Oppositiekandidaat José Francisco Peña Gómez zou in tegenstelling met Balaguer wél bereid zijn een einde te maken aan de schending van het internationale embargo tegen Haïti via de Dominicaanse Republiek. Peña en Balaguer hebben volgens de voorlopige uitslag van de verkiezingen ongeveer evenveel stemmen vergaard. De oppositie heeft met geweld gedreigd indien Balaguer toch de “frauduleuze” verkiezingen zal winnen en eist een hertelling.

Waarnemers van de politieke situatie in Hispaniola (het eiland dat door Haïti en de Dominicaanse Republiek wordt gedeeld) menen dat een gelijktijdige crisis in beide landen wel het laatste is waar men in Washington op zit te wachten. Een eventuele Amerikaanse militaire interventie in Haïti, waarop president Clinton heeft gespeculeerd, zal dan ook uitblijven tot er meer duidelijkheid is over de situatie in de Dominicaanse Republiek en ook tot duidelijk wordt of het Balaguer ernst is met de handhaving van het embargo.

Desondanks menen velen in Port-au-Prince dat een militaire interventie de enige oplossing is voor de voortslepende crisis in Haïti. Het Pentagon maakte deze week bekend dat een team van SEAL's (een speciale eenheid van de Amerikaanse marine) aan het “oefenen” is in de buurt van Haïti. Amerikaanse marineschepen, waaronder een vliegdekschip en een amfibisch aanvalsschip houden in de regio “routine-oefeningen”.

Voor het eerst ook heeft Washington de militairen in Haïti openlijk beschuldigd van drugshandel. In 1989 vormde dat argument in Panama nog een voorwendsel voor het Amerikaanse militaire ingrijpen tegen dictator Noriega. “Het wachten is nu op de invasie. Ik zie geen alternatief”, zegt een hoge functionaris van de Verenigde Naties in Haïti.