Mijn leven dringt zich aan me op; Autobiografische roman van Hector Bianciotti

Hector Bianciotti: Wat de dag de nacht vertelt. Vert. Joop van Helmond. Uitg. Arena, 286 blz. Prijs ƒ 49,50

'Als kind schaamde ik me voor mijn familienaam, ongetwijfeld vanwege de minachting die men in mijn geboorteland aan den dag legde voor de Italiaan, die immigrant.' Voor het eerst heeft de Frans-Argentijnse schrijver Hector Bianciotti, geboren en opgegroeid in de pampa van Argentinië als zoon van Italiaanse immigranten, in een autobiografisch werk de jeugd beschreven die al in zoveel eerder werk doorschemert. De gebeurtenissen die zijn jeugd kleuren zijn op zichzelf niet heel bijzonder: de slang die door zijn moeder wordt doodgeslagen op het terras van het huis, de koeherder die zelfmoord pleegt nadat hij door de vader van de kleine Hector is ontslagen, het 'helpen' met koken en wassen als voornaamste vermaak. De buitenwereld komt alleen binnen via de tijdschriften die op gezette tijden arriveren voor zijn oudere zussen, en later via de radio.

Wel bijzonder is de locatie, de pampa, 'waar het middelpunt van de wereld zich verplaatst met degene die loopt', en daarmee samenhangend, de periode van maatschappelijke onveiligheid en gevaren, verbonden met de peronistische dictatuur. De Tweede Wereldoorlog daarentegen is, vanuit Argentinië, ver weg en heel Europees.

Bianciotti dacht aanvankelijk dat hij een priesterroeping had. Het was een begrijpelijke vergissing: om vanuit de door sprinkhanen verwoeste oogsten terecht te komen in de wereld van boeken, lezen en nadenken, kon hij zich geen andere mogelijkheid voorstellen dan het seminarium. Hoe hij daar zijn geloof verloor, en God inruilde voor Paul Valéry, heeft hij weergegeven in Sans la miséricorde du Christ (1985, Prix Fémina ), de eerste roman die hij in het Frans schreef. In die tijd vond hij de roman 'het enige genre dat de hele werkelijkheid voor zijn rekening neemt'. Het leven zelf was hem niet romanesk genoeg: 'Het herhaalt zichzelf verschrikkelijk vaak, het stapelt gelijksoortige omstandigheden op elkaar die aan de opzet van het verhaal niets toevoegen.'

Waarom schreef hij in 1992 dan toch het zo te zien volledig autobiografische Ce que la nuit raconte au jour? 'Aujourd'hui, c'est ma vie qui me cherche', luidt de openingszin van het boek. De schrijver legt uit dat hij in het verleden nooit over zijn leven nadacht; niet om terug te kijken en niet om vooruit te kijken, en al helemaal niet om verklaringen te zoeken voor bepaalde opvattingen of gedragingen. Maar nu 'de winter nadert waarop geen lente meer zal volgen' - Bianciotti is inmiddels 63 jaar - dringt zijn leven zich aan hem op. Hij wil wel eens 'de achterzijde van het weefwerk' bekijken dat hij samen met het leven tot stand heeft gebracht.

Kronkels

De kern van het boek ligt in die eerste zin - die helaas in de vertaling volledig de mist in gaat. 'Inmiddels zit mijn leven me op de hielen.' Zelfs na drie keer lezen begreep ik de relatie met wat volgde niet, totdat ik de Franse tekst had gezien.

Wie Bianciotti wil lezen moet de tijd nemen voor de kronkels van zijn verhaal en de lange uitweidingen van zijn hoofdpersonen. Wat de nacht de dag vertelt is veel soberder en directer, maar de stijl van Bianciotti vergt niettemin veel van een vertaler. Elk woord, elke zin van zijn Franse tekst is zorgvuldig afgewogen. 'Omdat ik ben opgevoed in de vrees niet goed de taal te spreken van het land waar het feit dat je er wordt geboren op zichzelf niet voldoende was om je er te integreren, was ik me zo lang als ik me kan heugen volledig bewust van elk woord dat over mijn lippen kwam.'

Het is daarom jammer dat er nu zo slordig is vertaald: 'Een halve eeuw later' waar de Franse tekst (un quart de siècle) en de logica van het verhaal een tijdsspanne van vijfentwintig jaar vergen, onnederlandse of zelfs foute zinsconstructies ('De verloren hond al spoedig vergeten, heeft het kind het terrein in alle richtingen doorkruist', of 'Gespeend van enige charme viel er niettemin wel wat schaduw te vinden') en domme fouten ('Paulus, uitgevloerd op de weg naar Damas').

Bianciotti deed twee jaar geleden zijn intrede in het Nederlandse taalgebied met de vertaling (een mooie, van Aline Glastra van Loon) van El busco del jardin (1977), uit het begin van Bianciotti's schrijverschap. Merkwaardigerwijs lijkt Ce que la nuit raconte au jour meer daarop dan al zijn tussenliggende werk. De gebeurtenissen waarover wordt verhaald zijn veelal dezelfde, alleen heeft de poëtische transcriptie ervan nu een heel prozaïsch karakter gekregen. Als Bianciotti naar Buenos Aires vertrekt, ten tijde van de dictatuur 'een stad vol angst, spionnen, duistere kroegen, tango's en liefde', komt hij in aanraking met het verzet en belandt hij in de gevangenis. Een bevriende geheime agent regelt een bootticket naar Europa, en het leven als banneling begint. Hij vertrekt zonder een cent op zak, maar vervuld van de innerlijke overtuiging dat het leven van nu af aan de moeite waard zou zijn.

Zijn Europese tijd zou hem uiteindelijk tot een succesvol journalist en schrijver maken. Bijna veertig jaar later stuit Bianciotti bij toeval op zijn eerste paspoort, en kijkt ongelovig naar de foto. 'Wat zou ik graag die onbekende man zijn die mij niet kent, overtuigd van zijn kansen (-) Ik word overvallen door schaamte dat ik de droom niet heb kunnen verwezenlijken die hij van mij koesterde.'