Een kleine man die nooit iets anders had willen zijn

De spookschrijver, Ned.3, 21.04-22.00u.

“Als je voor een dubbeltje geboren bent, bereik je nooit een kwartje...” In de documentaire De spookschrijver schetst Guus van Waveren hoe een man van een dubbeltje een kwartje waard bleek te zijn en er niet in slaagde dat kwartje, laat staan de rest, te incasseren. Jacques van Tol (1897-1969) heette die man en hij was de auteur van het liedje over het dubbeltje en van ontelbare andere liedjes die tot op de dag van vandaag uitnodigen tot, per flard, per woord, per halve zin, meeneuriën.

In zijn agenda van 1932 noteerde Jacques van Tol bij woensdag 27 april: 'L. Davids, Naar de bollen, 25 gulden.' Er zijn veel meer van dergelijke aantekeningen te vinden en Van Waveren toont de gedrukte bladmuziek van de genoemde liedjes - de auteursnaam luidt nooit Jacques van Tol, maar is Louis Davids geworden, Willy Derby, of, later, Wim Sonneveld. Vanaf het begin van zijn carrière verkocht Van Tol zijn auteursrecht. Waarom? Henk van Gelder, Van Tols biograaf die in de documentaire zijn levensverhaal vertelt, vreest dat hij dat deed omdat men hem destijds zei dat dat zo hoorde. Als prototype van 'de kleine man met zijn confectiepakkie an' miste Van Tol de achtergrond of de flair om daar niet in te trappen en liet met open ogen van zich profiteren.

Zo ontwikkelde Van Tol zich tot een 'spookschrijver', tot iemand die had geleerd zich volmaakt te vereenzelvigen met zijn afnemers, met de artiesten voor wie hij zijn liedjes en zijn sketches schreef. Van Waveren illustreert het met een aantal welgekozen fragmenten. “Ik wil gelukkig zijn/Ik wil dansen tot ik niet meer kan”, zingt Fien de la Mar. “Ik zou nooit nooit nooit/nee nooit nooit nooit/iets anders willen zijn”, zingt Wim Sonneveld. Het voelt of het inderdaad diep uit hún hart kwam, maar het kwam uit de pen van Jacques van Tol.

In De spookschrijver wordt niet verbloemd dat juist die kwaliteit van Van Tol, NSB-lid sedert 1939, na 1940 leidde tot abjecte radioteksten in dienst van de bezetter: hij leverde wat hem werd gevraagd, wie hem er ook om vroeg en dat kwam hem, behalve op drieënhalf jaar interneringskampen, te staan op een verder levenslang genegeerd worden door de wereld van het lichte amusement. Dat werd des te wranger doordat ze tot elkaar veroordeeld waren. Van Tol kon niet zonder het schrijven; de revue, de radio en, later, de televisie konden niet zonder zijn teksten. Hij bleef in het geheim leveren, zij bleven in het geniep afnemen. De foute schrijver Van Tol bestond niet voor Hilversum, maar zijn werk des te meer, van de Snip & Snap-revues tot en met de televisie-shows John Kraaykamp en Rijk de Gooijer.

Wie daar meer van wil weten en vooral begrijpen doet er goed aan het boek De spookschrijver te lezen dat Henk van Gelder schreef over Jacques van Tol, en waarin ook de hypocrisie van zijn afnemers uitvoerig aan de orde komt. Guus van Waveren gaat er niet erg diep op in. Hij legt in zijn documentaire het accent op de, vaak tijdloos gebleken, kwaliteit van Van Tols werk. Allerhande uniek materiaal verwerkte hij tot een aanstekelijk geheel dat de kijker steeds doet verzuchten, 'gut, was dat ook al van Van Tol?'.