Niet beheersen maar beheren

Drie milieu-economen van de Landbouwuniversiteit Wageningen, Bulte, Folmer en Heijman, betoogden in NRC Handelsblad van 20 mei dat beperkte walvisvangst verantwoord is. Zij verwierpen het standpunt van onder andere de milieubeweging Greenpeace dat Noorwegen en Japan verkeerd handelen door het moratorium op walvisjacht te doorbreken. De Internationale Walvis Commissie vergadert deze week over verlenging van het moratorium. Volgens een hoogleraar natuurbeheer en een dierenarts zou iedere afzwakking van het verbod een regelrechte bedreiging voor de walvis zijn.

De auteurs Bulte, Folmer en Heijman gaan eraan voorbij dat bij de jacht op walvissen nog andere motieven spelen dan louter economische. Zij achten het blijkbaar voldoende de materiële belangen van de koopman af te wegen tegen rekenkundige wetmatigheden over de populatie-omvang van de te bejagen soorten. Anno 1994 spelen echter ook andere factoren een rol.

De populatie-omvang van alle walvissoorten daalt. Sinds walvisjager Scammon in 1874 vraagtekens zette bij de mogelijkheid tot overleven van de species Eschrichtius robustus (de grijze walvis), werd pas in 1937 onder druk van Kellogg vanuit de Verenigde Staten een beschermde status toegekend aan deze soort (1940). Sindsdien heeft het aantal exemplaren weer kunnen herstellen van de bijna fatale ingreep in de populatie. Midden jaren zeventig maakte oud-voorzitter van de US Marine Mammals Commission Scheffer een omstreden, te voorzichtige, schatting van de afname met ruim vijftig procent van het totaal aantal walvissen ten gevolge van overbejaging door de mens. Sommige soorten waren, nu bijna twintig jaar geleden, met een vermindering tot minder dan vijf procent van hun oorspronkelijke aantal, bijna uitgeroeid.

Huidige walvisvarende landen als Noorwegen en Japan hebben zich pas de laatste decennia toegelegd op de dwergvinvis. Die was door zijn kleine afmetingen vroeger te min, maar bij het vrijwel uitsterven van de grotere soorten nu de enig overgebleven soort die in redelijke aantallen voorkomt. Moet het de dwergvinvis net zo vergaan als zijn grotere familieleden? Uiterste voorzichtigheid is dus geboden bij het opheffen of ontwijken van de verplichtingen van het in 1988 door de Internationale Walvis Commissie IWC afgekondigde moratorium.

Het effect van dit moratorium is nog lang niet in al zijn facetten duidelijk. Zo is op grond van de huidige onderzoeksresultaten geen zekerheid te verkrijgen over het herstel van alle (sub)-populaties van de diverse walvissoorten. Gezien de lange periodes tussen de generaties van de betrokken diersoorten is dat niet verwonderlijk: walvissen zijn, afhankelijk van de soort, soms pas op tien- tot vijftienjarige leeftijd geslachtsrijp en produceren gemiddeld slechts één maal per twee à vier jaar een kalf. Numeriek herstel van bedreigde of beschermde soorten zal dan ook lange tijd op zich laten wachten. Op grond hiervan zou het voor de soorten die met uitsterven bedreigd zijn, of door de IWC als beschermd worden aangeduid, wenselijk zijn als het moratorium werd verlengd met een periode van minimaal vijf tot tien jaar. Zolang de invloed van overbevissing en de afname van de totale biomassa in onze wereldzeeën niet goed in kaart is gebracht, en er grote verschillen bestaan in de dichtheid van de (sub)populaties walvissen, en zolang er nog te weinig bekend is over migratie van bedreigde en beschermde walvissoorten, is de uitspraak dat bepaalde vormen van walvisvangst kunnen worden hervat ongenuanceerd als daarbij geen lokaties en aantallen worden genoemd.

De auteurs gaan kennelijk ook niet eronder gebukt dat we bij de jacht op walvissen te maken hebben met een bedreiging in het voortbestaan van een uniek biologisch potentieel. Het ontgaat hen wellicht dat over de gehele wereld duizenden mensen zich al tientallen jaren inspannen om dit voor de mensheid en het voortbestaan van leven op aarde en zee te trachten te behouden. In dit licht is het onbelangrijk of het de Euroburger dertig of tachtig gulden per gezin kost om de jacht op walvissen te doen stoppen. Het gaat hier niet om een bereidheid tot offeren, maar om en morele plicht tot staken van een verwerpelijke vorm van economie bedrijven. In de hedendaagse 'beschaafde' westerse wereld hoeft niemand voor zijn broodwinning afhankelijk te zijn van een bedrijfstak die via wrede methoden een hoogstaand erfgoed letterlijk vermoordt, ook niet in een tijd van economische recessie.

Er zijn, óók voor wetenschappelijke medewerkers van de Landbouwuniversiteit, uit maatschappelijk oogpunt drie redenen om een ander standpunt in te nemen: Bij de top voor de Visserij-ministers te Brussel in 1992 bood Greenpeace een door vijhonderdduizen Europese burgers ondertekende petitie aan ter voortzetting van het moratorium; In een recent uitgevoerde, statistisch significante steekproef onder de Nederlandse bevolking antwoordde 93 procent tegenstander te zijn van alle jacht; In de nieuwe samenstelling van de Europese Unie hebben vijftien van de zestien landen zich uitgesproken voor volledige stopzetting van de jacht op walvissen.

Dit zijn signalen aan politieke en wetenschappelijke instellingen en beleidsmakers waarmee terdege rekening gehouden moet worden, wil de democratie geen geweld worden aangedaan. Dat de auteurs zichzelf de titel milieu-economen toedichten, doet vermoeden dat zij vasthouden aan het oude denkbeeld natuurlijke rijkdommen te willen beheersen, in plaats van te kunnen beheren.