Tarantino's hilarische geweldfilm wint terecht

CANNES, 24 MEI. Tijdens festivals worden vele criteria gebruikt om films te sorteren. Er zijn snel en langzaam gemonteerde films, en bij de laatste val je eerder in slaap na een te korte nacht; goedkope en dure produkties; Europese en Amerikaanse films; films voor de critici en films waar een uit vakbroeders samengestelde jury van houdt; kunstzinnige en commerciële films. De enige onderscheiding die in alle subjectiviteit werkelijk hout snijdt is die tussen goede en slechte films.

In dat laatste opzicht kon de Gouden Palm dit jaar nergens beter terecht komen dan bij Quentin Tarantino. Nadat de triomftocht van zijn debuut Reservoir Dogs, het vlaggeschip van de inmiddels 'nouvelle violence' gedoopte stroming van gestileerde geweldfilms, twee jaar geleden begonnen was in een nachtvoorstelling in Cannes, maakt Tarantino een enorme sprong voorwaarts met Pulp Fiction. De film is zonder meer de meest intelligente, onderhoudende, cinefiele, opwindende, vernieuwende en publieksgerichte film die dit jaar in de competitie van Cannes te zien was. De structuur is die van een drieluik met een proloog en een epiloog, die uiteindelijk op een slimmere manier dan in Altmans Short Cuts aan elkaar geknoopt worden tot een enkel verhaal. De toon is ironisch, hilarisch en zet de toeschouwer steeds bewust op het verkeerde been. De meest gruwelijke moordpartijen worden nonchalant en onnadrukkelijk in beeld gebracht, als nu eenmaal niet te vermijden 'facts of life', terwijl de dreiging veeleer veroorzaakt wordt door de aankondiging van uitblijvende verschrikkingen.

Een belangrijk middel waarvan Tarantino zich bedient is de taal, die vaak niet in overeenstemming lijkt met de ernst van de situatie. Twee huurmoordenaars - onder wie de halfzware shag draaiende en beter dan ooit acterende John Travolta - op weg naar een klusje babbelen eindeloos over koetjes en kalfjes, waarin Amsterdam, de plaats waar Tarantino enige maanden doorbracht, een hoofdrol speelt. Er wordt gespoten, gesnoven en gemoord dat het een lust is, maar veel belangrijker lijkt Tarantino details te vinden als een bosbessenpannekoek, een gouden horloge of de angst van een door hemzelf vertolkte ploert voor de woede van zijn brave verloofde. Het effect van Pulp Fiction is dat van een achtbaan: het langzaam omhooggetakeld worden is spannender dan het naar beneden roetsjen. Maar wat doseert hij zijn wisselbaden superieur, wat kan hij goed anekdotes vertellen, als de eerste echte erfgenaam van Alfred Hitchcock.

Natuurlijk is zo'n film in hoge mate controversieel. Als de titel van zijn film de bewakers van de goede smaak al niet in de gordijnen jaagt (zoals in Cannes zowel bij de prijsuitreiking gebeurde bij monde van schreeuwers in het publiek als bij de persconferentie na afloop), dan kunnen de psychologen die vrezen voor de negatieve invloed van filmische voorbeelden op de tot het slechte neigende jeugd bij Pulp Fiction wel hun hart ophalen.

Een jury die de moed heeft zo'n film de Gouden Palm toe te kennen is bijna genoodzaakt bij de verdeling van de rest van de prijzen extreem rekening te houden met diplomatieke belangen. Dat betekent in Cannes: veel troostprijzen voor Franse films, een plichtmatige erkenning van onomstreden conventionele prestigeprodukties als die van Zhang Yimou, Nikita Michalkov en Patrice Chéreau en het negeren van andere extreme films, zoals de door de filmkritiek hoog geprezen produkties van Abbas Kiarostami en Krzysztof Kieslowski. Vooral het compleet overslaan van diens laatste film Trois couleurs: rouge lijkt bijna een provocatie.

De gemiddeld weer bijzonder interessante oogst van Cannes laat zich ook op een andere manier in tweeën delen. Er zijn de films die volgens de regels van de kunst in verschillende genres excelleren, maar uiteindelijk teleurstellen doordat die genres voor zoete koek geslikt worden. En er zijn de moderne en postmoderne films, die de regels juist onderzoeken (Tarantino, Joel Coens The Hudsucker Proxy, Aurelio Grimaldi's Le buttane, Kieslowski, Kiarostami), binnenste buiten keren en daardoor verontrusten. Niet toevallig zijn dat de films, die aansluiten op de traditie van het Rotterdamse festival.

Het meest interessante 'nieuwe filmland' is Amerika. Daar wordt buiten de gevestigde orde om gedebuteerd met films die zich niets aantrekken van welke regel dan ook: het voor 27 duizend dollar gemaakte zwartwit-debuut van Kevin Smith Clerks, dat Dante's hel durft te verplaatsen naar een winkel in New Jersey; Lodge Kerrigans Clean, Shaven dat de innerlijke wereld van een schizofreen subjectief wil weergeven, in alle gruwelijkheid en lelijkheid.

Maar het beste debuut kwam dit jaar uit Frankrijk en onderscheidt zich juist door de academische beheersing van traditionele vormen. Pascale Ferran (33) laat in Petits arrangements avec les morts op een strand in Bretagne drie verschillende personages elk op hun eigen manier in het reine komen met de dood van een naaste, gesymboliseerd door de aanvaarding dat een zorgvuldig vormgegeven zandkasteel bij vloed nu eenmaal ten prooi valt aan de golven. Ook de rigiditeit in de vormgeving en het intelligente scenario geven blijk van het niet willen buigen voor de verleiding van de makkelijkste weg, die van de fraaie fabels, de nostalgie (Michalkovs Tsjechoviaanse heimwee naar het stalinisme in Soleil trompeur), de metafoor van het verleden (Joegoslavië verbeeld in Chéreaus visie op de Bartholomeüsnacht of in Lucian Pintilie's vertelling uit een Balkanoorlog, Un été inoubliable). Het in korte tijd zien van veel films maakt onverdraagzaam jegens regisseurs die, al is het nog zo geraffineerd, om de hete brij heen draaien. En wekt bewondering voor de individualisten die ons om de oren slaan met de wereld zoals hij is: wreed, absurd en uiteindelijk niet eenvoudig te doorgronden.