Wilfried Martens en de verbittering

Frans Verleyen: Met Martens door de woestijn 144 blz., Kritak / Roularta Books 1994, ƒ 28,20

Het verschil tussen België en Nederland? “Toen ik met Lubbers eens wegwandelde uit zijn werkkamer, het zogenaamde Torentje op het Haagse Binnenhof, keek hij rond en zei plotseling: 'Ik hou van mijn land'. Dat doe ik ook, maar het gevoel is niet hetzelfde. In België bestaat ongetwijfeld de wil om zowel naar boven als naar onder stukken van de centrale staat weg te geven. Door het afstaan van bevoegdheden aan Europa kunnen we in de wereld meer beslissen”.

Het citaat komt uit het vorige week verschenen boek over de vroegere premier van België, Wilfried Martens, geschreven door hoofdredacteur Frans Verleyen van het weekblad Knack. Martens was zeven jaar partijvoorzitter van de CVP en daarna twaalf jaar eerste minister van België. De wijze waarop hij begin 1992, bij de formatie van het tegenwoordige kabinet-Dehaene, aan de kant werd gezet en van de een op de andere dag van het binnenlandse politieke toneel verdween, intrigeert nog steeds. “Ze waren een mooi stuk van hun leven wapenbroeders, maar nu niet meer”, aldus Verleyen over 'het verborgen conflict' tussen Martens en Dehaene.

Martens heeft zijn bitterheid over de behandeling die hem ten deel viel al enkele malen verwoord. Maar over die ontnuchterende ervaring, gaat het boek van Verleyen niet in de eerste plaats. Evenmin is het boek de weerspiegeling van een persoonlijke bezinningstocht van de politieke pelgrim Martens. Ook na lezing blijft de raadselachtige, soms opvallend kwetsbaar ogende persoonlijkheid van Martens voor een belangrijk deel in nevelen gehuld.

Met Martens door de woestijn is wel 'een reisjournaal', waarin de gewezen premier wordt geportretteerd als de gedreven voorzitter van de Europese Volkspartij (EVP) en van de Europese Unie van Christen-Democraten, die zich met grote bevlogenheid inzet voor het ideaal van een federaal Europa. Zonder een dag vakantie op te nemen, stapte Martens in maart 1992 over van de Wetstraat 16 - het regeringscentrum in Brussel - naar het bescheiden onderkomen van de EVP in de Overwinningsstraat in Brussel. Vandaaruit ondernam hij reizen om in Oost-Europa maar ook in andere delen van de wereld de internationale christen-democratische beweging te helpen organiseren.

Verleyen heeft berekend dat Martens van maart 1992 tot april 1994 ruim 90 van die tochten maakte, met een 'low budget', waar mogelijk de metro nemend, en vaak bivakkerend in barre omstandigheden, zoals bijvoorbeeld in het door honger en oorlog geteisterde Afrika. Martens: “Ik ben Europeaan, ondervoorzitter van de Christen-Democratische Internationale en mens. Ik wil weten wat daar gebeurt, het terrein opgaan, goed geïnformeerd zijn. Daarna de VN en de Europese Unie inlichten, gewetens wakker schudden - ook om de vaak heldhaftige hulpverleners te steunen”.

Martens heeft opnieuw 'de verontwaardiging' ontdekt, concludeert Verleyen. Hij heeft Martens persoonlijk gevolgd op een aantal van zijn reizen in Oost-Europa, en de weerslag daarvan vormt het eerste deel van het boek. Het tweede gedeelte is de weergave van een gesprek tussen de auteur en de oud-premier en het laatste deel van het boek mondt uit in een beknopte samenvatting van het essentiële uit het door Martens zelf herschreven basisprogramma van de EVP. Op die manier geeft Verleyen - in de aanloop naar de Europese verkiezingen - op zijn manier tegenwicht aan een fenomeen waarover Martens zich grote zorgen maakt, namelijk de onmogelijkheid voor bestuurders die een land leiden de zaken grondig uit te leggen. “De meeste media, zeker de televisie, bieden de samenleving nog slechts vluchtige en uiterlijke beelden van wat er gebeurt (....) In die Berlusconi-maatschappij is het voor 'vaders' ondoenlijk om polen van stabiliteit overeind te houden”.

Verbittering

Het 'reisjournaal' en het aansluitende gesprek met de premier leveren enkele aardige anekdotes en doorkijkjes op. Zo vertelt Martens over zijn grote twijfels in 1988 of hij, na leiding te hebben gegeven aan een regering met de liberalen, opnieuw premier zou worden van een rooms-rode coalitie, buiten hem om programmatisch in elkaar gezet door Jean-Luc Dehaene. Martens laat zich door de koning overhalen, en spreekt achteraf over 'een vergiftigd geschenk'. “Ik heb Helmut Kohl nog gebeld om raad te vragen over mijn probleem in april 1988, of ik die achteraf versmade regering al dan niet zou leiden zonder haar programma zelf te hebben klaargestoomd. Hij dacht dat ik het toch maar moest doen. De Nederlandse premier Ruud Lubbers - wij consulteren elkaar graag - had dan weer sterke twijfels over de goede zin ervan”.

Kohl en Lubbers komen op verschillende plekken in het boek tevoorschijn als 'vrienden' van Martens, 'de Europamakers van zijn eigen generatie', van wie hij meer respect heeft gekregen en nog steeds krijgt dan van de politici in het eigen Belgische en Vlaamse huis. Verleyen meent te kunnen vaststellen dat Martens niet 'verbitterd' is door zijn weinig elegante vertrek uit de Belgische politiek - getuigend van “een gebrek aan politieke beschaving”, maar dat komt vooral doordat zijn nieuwe werk zo mateloos interessant is. “Het heeft gewoon meer formaat dan het dagelijkse gedoe in de Wetstraat” en dat is kennelijk de redding geweest van Wilfried Martens.

Zelf zegt de oud-premier dat hij zijn integriteit heeft behouden “in de ogen van de honderden mensen die ik de laatste twee jaar op het Europese forum heb ontmoet. Zij weten niet dat men vandaag de 'schuld van de staatsschuld' op mijn rug probeert af te schuiven. Zij weten evenmin wat ik dan allemaal denk en hoe ik daarover zwijg vanuit dat eigenaardige soort collegiale loyaliteit dat ik altijd instinctief opbreng. Ik ben iemand die door vroegere medestanders, ook in de Vlaamse kwaliteitspers, omwille van mijn politieke opvattingen wordt bestreden met onpolitieke argumenten of berichtgeving. Dat hoeven ze in de rest van de wereld niet te weten. De mensen ontvangen me daar met vriendschap en respect. Ze zeggen: 'We kennen u, we weten dat u twaalf jaar uw land hebt geleid en Europa bevorderd, we luisterden toen naar de BBC. Nu zijn we vrij en in moeilijkheden, maar u komt naar ons toe' ”.

“Zoals twintig jaar geleden zit ik opnieuw in de catacomben. Daar heeft niemand wapens. Daar zitten minderheden met een overtuiging die niet begrepen wordt en waarvoor ze desnoods vervolging moeten aanvaarden.” En Martens besluit met de opmerking: “Ik ben iemand die daar karakterieel voor kan kiezen.”