Machinaal op weg naar gezondheid

Tentoonstelling: IJzeren therapeuten, Museum Boerhaave te Leiden. Nog te zien t/m 14 augustus 1994. Open: di t/m za 10.00-17.00 uur, zo en feestdagen 12.00 tot 17.00 uur.

Wie ooit een fitness-centre heeft bezocht - zo'n instituut waar men tegen hoge kosten aan vreemde apparaten zinloze arbeid kan verrichten - zal zich direct thuisvoelen in het Museum Boerhaave in Leiden. Daar is vorige week een tentoonstelling geopend van 'IJzeren therapeuten', dat wil zeggen machines die rond de eeuwwisseling op grote schaal werden gebruikt om zieke mensen te duwen, kloppen, wrijven of door elkaar te schudden, in de hoop op beterschap. Een enkele oudere bezoeker kan zelfs uit eigen ervaring weten waar hij terecht is gekomen: in de restanten van een zogenoemd Zander-instituut.

De naam komt van de Zweed Jonas Gustaf Vilhelm Zander, die halverwege de vorige eeuw als gymnastiekleraar in een meisjespensionaat werkte. Daar deed hij ook aan heilgymnastiek, een systeem van zijn landgenoot Ling, gericht op het genezen van kwalen en afwijkingen. Een van de uitgangspunten daarbij was, dat uit een oogpunt van doelmatigheid alleen de defecte spier of spiergroepen geoefend moesten worden. Ling bepaalde ook, dat de inspanning van de patiënt nauwkeurig gedoseerd moest worden, afhankelijk van de fase in het genezingsproces. Dat kon door zelf te bewegen, of door de therapeut lichaamsdelen te laten bewegen, maar het beste was toch wanneer de patient zijn spieren oefende 'tegen weerstand in'. Die weerstand werd geleverd door de therapeut.

Jonas Zander, zelfs soms vermoeid na zo'n hele dag in het meisjespensionaat, stelde dat een therapeut na uren weerstand bieden niet meer in staat was om de lichamelijke conditie van zijn patiënt zuiver aan te voelen. Overeenkomstig de geest van de tijd concludeerde hij dat machines dat werk veel nauwkeuriger en langer konden doen.

Snelle vorderingen in de fysiologie - de leer der levensverrichtingen - en een succesvolle studie geneeskunde stelden hem in staat om de eisen aan die machines nauwkeurig te specificeren. Zo vertaalde hij de fysiologische wet dat de kracht die een spier uitoefent afhankelijk is van de mate van samentrekking (de Wet van Schwann, later aangevochten) heel knap in machines met variabele hefbomen of excentrische poelies.

Zander ontwierp aanvankelijk 25 machines voor evenveel spiergroepen, en met dat arsenaal opende hij in 1865 in Stockholm een Medico-mechanisch Instituut. In de loop der jaren kwam hij tot een collectie van 70 machines, varierend van een toestel om de armen te rollen of de rug te laten masseren tot een toestel om het bekken te rollen of de borstkas te verruimen. Dat is het kroonjuweel uit de collectie. Er is ook een merkwaardig apparaat, een soort fraai bewerkt zadel, dat in verschillende tempi op en neer hotst om de constipatie te bestrijden. Het doet denken aan een werkstuk van Jean Tingeley , de Weduwe van de Wielrenner geheten, dat ooit bij het Stedelijke Museum door de politie is verboden.

Aanvankelijk bleef het Zander-systeem een Zweedse aangelegenheid, maar toen Zander zijn machines naar internationale tentoonstellingen stuurde, ging het snel. Hij sloeg in feite diverse contemporaine vliegen in één klap: de belangstelling voor een gezond lichaam was groot in de tweede helft van de vorige eeuw, de behoefte aan ontdekken, meten en rubriceren niet minder. En er was een fascinatie met machines en mechanisering.

Wie een Zander-instituut binnenging, kreeg dan ook een fabrieks-ervaring - alsof gezondheid aan de lopende band werd geproduceerd: rijen van vernuftige apparaten in hoge hallen, met een centrale aandrijf-as en lange zwiepende leren banden, die de machines in beweging moesten zetten. In 1900 waren er over de hele wereld, van Buenos Aires tot Moskou, 116 Zander-instituten, waarvan 9 in Nederland. Uiteraard, en gezien de Körperkultur heel verklaarbaar, was het succes in Duitsland met 62 instituten het grootst.

Werk aan de winkel dus voor de Zweedse fabriek die de apparaten voor Zander maakte. De techniek maakte het mogelijk om een groot deel van de qua vorm nogal gecompliceerde machines in (goedkoop) gietijzer uit te voeren, met de gebruikelijke tierelantijnen, als nabootsing van natuurlijke materialen of thema's uit de oudheid. De rest werd gedraaid uit staal of messing. Desondanks waren de kosten voor een complete Zander-collectie hoog. Een instituut in Utrecht bijvoorbeeld, opgericht door een aantal artsen en gefinancierd door uitgifte van aandelen, kostte in 1889 50.000 gulden, inclusief gebouw. Dank zij patienten van het Militair Hospitaal, de Spoorwegen en de Rijksverzekeringsbank kon het instituut blijven bestaan. Ook bij de andere instituten moesten de verzekeraars en ziekenfondsen voor de aanvoer zorgen.

Maar de beweging leefde niet erg lang. De exploitatiekosten van de instituten werden te hoog, de reserves raakten op en de Zander-therapie raakte uit de mode. Vier Nederlandse instituten haalden de jaren dertig; het laatste - in Rotterdam - sloot de deuren in 1939. De machines gingen over naar een nieuw opgericht Physico-Therapeutisch Instituut, dat in 1970 ter ziele ging. Daar heeft het Museum Boerhaave zijn collectie aan te danken, die nu vrij zeldzaam is geworden omdat niemand de grote, moeilijk op te bergen apparaten wilde hebben.

Dank zij de robuuste constructie zijn de machines in perfecte staat, en ongeveer de helft van de apparaten is in volle werking te zien. Dank zij een moderne centrale electromotor weliswaar, en niet door een oude stoommachine zoals in de beginperiode werd gebruikt. Het is merkwaardig te bedenken, dat de moderne bottenkraker nauwelijks apparaten gebruikt en weer volledig terug is bij het begin: de eigen spierkracht. De revaliderende patient heeft ook niet veel machines nodig: een paar gewichten, een katrol, een loopbrug. Zander zou het primitief vinden.