Een krab met een creditcard; Milan Kunc, een schilderende Annie M.G. Schmidt

De Tsjechische schilder Milan Kunc studeerde bij Joseph Beuys, maar hij heeft zich altijd verzet tegen zijn 'wc-papierkunst'. Kunc, wiens werk te zien is in de Rotterdamse Kunsthal, schildert op een manier die direct aanspreekt, zonder moeilijke theorieen en cynisme. “Ik heb er genadeloos voor gekozen een klassiek schilder te worden.”

Milan Kunc: Van pijnlijk realisme tot verfijnde schilderkunst (1974-1994). Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. T/m 26 juni. Di t/m za 10-17u, zo en feestdagen 11-17u.

Hij is verliefd op Disney en Renoir, zegt hij, en dat is te zien.

Een van zijn recente schilderijen heet Wij ruimen op, en daarop staan drie Bambi-achtige damherten die een kruisraket op hun rug wegdragen uit het bos.

Zoals de meeste schilderijen van Milan Kunc (Praag, 1944) is het doek in een ontwapenende, cartooneske stijl geschilderd. Veel van zijn dieren, mensen, kabouters en bloemen lijken uit kinderboeken te zijn weggelopen. Kunc schildert ze helder en precies, met liefde voor details en een voorkeur voor zoete, vrolijke kleuren. Het zijn vaak licht surrealistische droombeelden die hij ons voorzet, aanstekelijk poetisch, zoals het werk van Annie M.G. Schmidt, die bijvoorbeeld schreef:Toen tante To in Amsterdamvanmorgen naar beneden kwam,om vijf voor half zeven,toen zei ze heel verwonderd: Hee,wat zit daar nou op de kanapee?

Wat zal ik nou beleven?

De hele kamer was versperd,want op de sofa zat een hert.

Kunstenaars die schilderen zoals Annie M.G. Schmidt schrijft, zijn een zeldzaamheid in de hedendaagse kunst. In de Kunsthal wordt de poetische kracht van Kunc overtuigend in beeld gebracht met een grote overzichtsexpositie van zijn werk van de laatste twintig jaar. De nette herten staan wel in de catalogus, maar omdat het doek twee jaar geleden in het Stedelijk Museum in Amsterdam te zien was, hebben de organisatoren, die alleen onbekend werk van Kunc willen tonen, het helaas niet opgenomen.

De expositie begint met het werk dat Kunc maakte toen hij studeerde aan de kunstacademie in Dusseldorf, bij de legendarische kunstenaar JosephBeuys, de paus van het Duitse modernisme. Kunc was in 1968 als Praagse kunststudent toevallig in Italie om de klassieke meesters die hij bewonderde in het echt te bekijken, toen de Russen met hun inval een einde maakten aan de Praagse lente. De Tsjechoslowaakse grenzen gingen dicht, en hij kwam na omzwervingen in Duitsland terecht. Daar schreef hij zich in aan de Dusseldorfse academie, die als beste bekend stond, en kwam in Beuys' klas terecht.

Afvalkunst

Kunc omschreef zijn academietijd ooit als volgt: “De Beuysklas was voor mij een vuilnisvat. De studenten maakten afvalkunst, haast manieristisch; sculpturen uit kolenbriketten, aarde of stront. Hun zonderlinge natuurmythologie leidde tot van die komische, doorzichtige tekeningen uit het gekkenhuis: wc-papierschilderkunst (-) Het was een soort geesthetiseerde antikunst, zwakzinnig en bekrompen. En ik, ik heb er genadeloos voor gekozen een klassiek schilder te worden, tegen deze richting in.”

Kunc wilde schilder worden, en kon weinig beginnen met de stop-met-schilderen-cultuur die op de academie heerste. Tijdens het inrichten van de expositie in de Kunsthal vertelt hij: “Ik wilde in Praag al schilder worden, mensen sensaties op het doek voortoveren, zoals de barokschilders dat deden en Hieronymus Bosch.” Hij wilde nadrukkelijk schilderen, vandaar dat hij in zijn Duitse academietijd dan ook met opzet schilderijen in een zwaar aangezette academische stijl maakte. Ze hangen in de Kunsthal in een oranje kubusachtige ruimte midden in de expositiezaal (Hal 2). We zien met verve gekopieerde barokke naakten naast kitsch-parodieen op heroische schilderijen uit het Oostblok, die hij maar al te goed kende. De socialistisch-realistische soldaten en andere Oostblok-helden als Stalin worden bij Kunc satirische, surrealistische figuren in veel te kleurige landschappen. Een wand in de expositiekubus is gereserveerd voor een enorme schildering over natuur en cultuur. Het is een curieus en overdonderend werk, vol zachtroze en lichtblauwe pelikanen, paddestoelen, bloemen en cowboys die in een ravijn storten. De schildering is een voorloper van de latere werken in de geraffineerd naieve stijl van kinderboekillustraties, waarmee hij in de jaren tachtig internationaal bekend werd.

Buiten de kubus, waarin het 'oerwerk' te zien is, valt het geexposeerde werk grofweg in twee delen uiteen. De helft van de hal bevat 'Oost-Pop', werk uit het eind van de jaren zeventig, waarin Kunc het communisme en het (westerse) consumentisme op de korrel neemt. De andere helft van de zaal bevat het recentere cartooneske en licht surreele werk.

Heiligschennis

Pop art was de enige moderne westerse kunstvorm die Kunc kon waarderen toen hij uit Praag kwam, waar hij aanvankelijk popzanger wilde worden. Hij besloot eind jaren zeventig het Oostblok zijn eigen Pop art te geven: Oost-pop. Met een soort demonstratieborden in de vorm blikjes Coca-Cola, waarvan de C's in hamer-en-sikkels veranderden, en communistische McDonald's hamburgers toog Kunc naar het Rode Plein in Moskou. Daar, tijdens de krampachtige Breznjev-periode, demonstreerde hij met die borden en combineerde hij de ikonen van het kapitalistische Westen met die van het communisme. Nu zijn zulke combinaties gemeengoed, en verdringen Moskovieten zich voor de deur van de McDonald's in Moskou en drinken Pepsi. “Maar in die dagen was dat heiligschennis,” aldus Kunc. Dat hij toen als Tsjech met een Duits paspoort niet opgepakt is, dankt hij volgens zichzelf aan zijn kleding: “Ik kleedde me als een belangrijke partijbons uit de provincie, die al zijn erespeldjes op had en niet helemaal wist wat de juiste Sovjet-mode was, maar er wel heel belangrijk uitzag.” In de catalogus bij de expositie, die deels ook in Praag, Keulen, Karslruhe en Malmo te zien was, staan foto's van deze acties.

De Oost-pop-demonstratieborden, de kleurige foto's van Kunc met zulke borden, en de Oostblok-auto met cola-reclame, ze zien er allemaal leuk uit, maar de sensatie die ze veertien jaar geleden moeten hebben veroorzaakt zijn nauwelijks meer voor te stellen. Het zijn grappige overblijfselen uit de Koude Oorlog.

Het recentere werk, van na 1985, de 'verfijnde schilderkunst', zoals Kunc het zelf noemt, is veel indrukwekkender. Daaruit blijkt op wat voor bijzondere manier Kunc zijn 'genadeloze keuze' tijdens de Beuysklas voor het klassieke schilderschap vorm heeft gegeven. Het beslissende moment voor zijn huidige schilderstijl kwam na de Oost-pop, eind 1979. Met twee ontevreden medestudenten van de academie in Dusseldorf, Jan Knap en Peter Angermann, richtte hij de Gruppe Normal op. Tegen de 'waanzin' uit de Beuysklas en het succes van de expressionistisch schilderende jonge Duitsers, de 'nieuwe wilden', stelden zij de eenvoud.

Kunc, Knap en Angermann maakten humoristische verhalende schilderijen, helder van opzet. Het gaat er niet om je hoofd te breken over kunst, stelde Angermann in die tijd, 'maar om gewoon iets van de straat, iets dat dichtbij is, te nemen en te presenteren.' Stinknormale kunst wilde het drietal maken, kunst die mensen direct aanspreekt, zonder hindernissen voor het publiek zoals flauwe grappen, moeilijke theorieen, cynisme en agressiviteit.

Ze gebruikten daarvoor een vrolijke, ontwapenende stijl die ontleend is aan kinderboekenillustraties. Behalve dat er doeken vol fabeldieren ontstonden, werden ook klassieke schilderkunstige thema's, zoals mythologische figuren, religieuze voorstellingen en pastorale landschappen in die stijl geschilderd.

Stoomwals

Van de eerste werken uit de periode van 1980-1985 is in de Kunsthal niets te zien. De groep bestaat al niet meer, en veel van dat werk was in 1984 al in het Groninger Museum getoond, zegt Kunc. In de Kunsthal is te zien hoe Kunc de geraffineerd naieve stijl tot volle bloei heeft weten te brengen, en nu moeiteloos de wereld van (Tsjechische) sprookjesillustraties met de gotiek, barok, surrealisme en kitsch verbindt. Hij heeft zijn schilderkunst verfijnd, zegt hij zelf. Zo zijn er prachtige, fijngeschilderde vrouwenportretten in landschappen die sterk aan het surrealisme van De Chirico doen denken. Maar ook een grote drol op een achtergrond van bladgoud, waarop een stoomwals een snelweg aanlegt. Achter de drolpunt verrijst al hoogbouw. Snelgroeiende ontwikkeling, luidt de titel.

Er wordt altijd een verband gelegd tussen de Tsjechische achtergrond van Kunc en de rijke Tsjechische traditie van sprookjesillustraties. Maar Kunc wil daar niet veel van weten. Hij wil niet dat zijn schilderijen als louter kinderboekillustraties ter zijde worden geschoven. Net zomin als hij als naieve kitschschilder in de hoek gezet wil worden. Dat zou ook onterecht zijn, want Kunc maakt geen kitsch, zoals de Amerikaanse criticus Donald Kuspit in de catalogus uiteenzet. Kitsch is een schematische schilderstijl, waarin betekenissen vastliggen, en iedereen in een oogopslag begrijpt wat er bedoeld wordt, welk gevoel opgeroepen wil worden.

Kunc maakt gebruik van bepaalde stijlelementen van de kitsch om verwachtingen die daardoor opgeroepen worden op de hak te nemen of mild te ontkrachten. Een duidelijk voorbeeld daarvan is het schilderij van een jong paartje uit het Oostblok dat voor het eerst na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn een droomvakantie op de Caraiben kan houden. Het schilderij is opgezet volgens een kitsch-schema: op de voorgrond de silhouetten van een jong minnend paartje, daarachter een kleurrijke tropische zonsondergang aan zee. Maar een wenkkrab in de rechterbenedenhoek van het schilderij met in zijn schaar een American Express creditcard, maakt duidelijk dat dit een utopie op krediet is. Bovendien zien we in de silhouetten van de jongen en het meisje fijntjes een hamer en een sikkel geschilderd. Kennelijk zijn de jong gelieven nog niet van het Oostblok-denken bevrijd. Kunc' werk is veel te speels, satirisch, erotisch en origineel om als kitsch te worden afgedaan. Drollen, bewoonde doodshoofden waaruit geslachtsdelen bungelen, smeerpijpen en zwerfvuil komen niet voor in echte kitschschilderijen. Bij Kunc wel. Met ieder schilderij wil Kunc een verhaal vertellen in aansprekende beelden die de fantasie prikkelen. En daarin slaagt hij voortreffelijk: van de meeste doeken in de Kunsthal spat die vrijheid van geest af. Met rigide kunstvoorschriften heeft hij niets te maken. Amerikaanse Pop Art, van Andy Warhol (ook van Tsjechische origine) en Jeff Koons is minimalistisch: zij maken van reclame- en media-uitingen kunst. Kunc voegt er een rijke fantasiewereld aan toe: hij vertelt Pop Art-sprookjes.

“Ik wil tegelijkertijd meesterwerken en populaire schilderijen maken,” zegt Kunc. “Dat levert in ieder schilderij een spanning op. Sommige mensen noemen die spanning 'Slechte Smaak'. Van hen mag het alleen maar of het een of het ander zijn.” Kunc stoort zich daar niet aan. Goede kunst is volgens hem kunst waarin ruimte is voor droombeelden, kunst die “positieve energie, liefde voor het schone, de natuur en de cultuur uitstraalt. Kunst moet een mooi geheim bevatten, waaraan mensen zich kunnen opladen. Niet alleen nu, maar ook nog jaren, eeuwen later. In die zin wil ik meesterwerken maken, ikonen, zoals de werken van Vermeer en de Mona Lisa, die nu nog steeds een raadselachtige aantrekkingskracht bezitten en steeds maar weer bekeken worden.”

Vandaar ook Kunc' liefde voor Renoir en Disney. “Van Renoir wil ik het gevoel en de zachtheid in mijn schilderen brengen. Van Disney, de speelsheid, de fantasie en de vrolijkheid.”