Herdenken is je verplaatsen in een ander

Het is mei en dus herdenken we. En natuurlijk komt dan weer de vraag op: wat herdenken we precies, want de meesten van ons waren er niet bij, en vooral, waarom herdenken we? De laatste tijd kan men alom vernemen dat 'Europa' zijn geloofwaardigheid kwijt is en dat de vaste uitspraak bij de mei-herdenkingen 'dit mag nooit meer gebeuren' daarmee ook een lachertje is geworden. Immers: het gebeurt. Nu. Ook in het Zaterdagbijvoegsel van afgelopen zaterdag viel weer van alles over onze houding ten opzichte van gruwelen in heden en verleden te lezen. Het schijnt hypocriet te zijn dat zoveel mensen huilen bij Schindler's list terwijl intussen in Bosnië willekeurig mensen afgemaakt worden. Wij schijnen niet meer te kunnen voelen voor de Bosnische slachtoffers of voor de Rwandese moorden, want wij zijn afgestompt door een informatie-bombardement. Cynisch geworden zijn we, en we hebben ons een postmoderne ironie aangemeten. Waar de Duitsers vroeger zeiden: we wisten het niet, daar zeggen wij nu: we weten te veel. Het komt op hetzelfde neer.

Het zijn allemaal sombere en erge uitspraken die wel even klinken alsof ze echt waar zouden kunnen zijn, alsof ze ons een spiegel voorhouden. Maar zo is het niet en zo moet het bovendien ook niet zijn. Gerrit Krol schreef ooit, het is al vaak geciteerd: “Als je niet elke dag met een stok in je ziel roert, dan vries je dicht.” Herdenken is een manier om de ziel open te houden. Wie zichzelf dichtvriest met ironie of cynisme doet iets gevaarlijks.

Natuurlijk zijn de tranen bij Schindler's list machteloos en veranderen ze niets aan de toestand in de wereld. Maar de wereld wordt er zeker niet beter van als mensen zelfs geen tranen meer hebben. Het postmodernisme, waarin alles tot citaat wordt verklaard en mensen zichzelf schijnen te geloven als ze beweren dat je in deze tijd niet meer oprecht 'ik hou van je' kunt zeggen tegen je geliefde - want dat is al zo vaak gezegd, dat is een citaat, dat wordt vanzelf ironisch - is een plaag voor het gevoel. Iemand die niet oprecht kan zeggen 'ik hou van je' die houdt ook helemaal niet van iemand. Want een echt gevoel is niet ironisch.

Maandagavond was op de televisie een documentaire te zien van Cherry Duyns, waarin het meisje met de hoofddoek, gefilmd tussen de schuifdeuren van een wagon die op het punt staat uit Westerbork te vertrekken, een naam werd gegeven. Ze bleek een zigeunermeisje, Ana Maria Steinbach heette ze, Settela voor zigeuners. Het was een eenvoudige documentaire waarin een naamloos symbool in een ooit echt geleefd hebbend kind werd veranderd. Het was een manier om te herdenken, heel nauwkeurig herdenken, een manier om aandacht te hebben voor een enkel lotgeval tussen al die andere. Nadat iedereen alles verteld had wat hij of zij wist van dat ene speciale transport, die ene familie, dat ene meisje, zagen we tot slot nogmaals een deel van de ooit in Westerbork gemaakte film: de trein rijdt weg. Hier en daar steekt een zwaaiende hand uit een wagon. Dat beeld, toch al niet makkelijk te verdragen, was nu helemaal hartverscheurend geworden. Ik heb er niet cynisch naar gekeken, of ironisch. Ik ben ook niet de volgende dag naar Bosnië vertrokken om mijzelf van mijn ongeloofwaardigheid af te helpen.

Het is verkeerd om onszelf aan te praten dat we niets voelen of dat we iets hypocriets voelen. Het is geen schande om niet te weten wat je verder met een gevoel moet beginnen. Herdenken, of dat nu via documentaires of films gebeurt, is een manier om je te verplaatsen in het lot van een ander. Het zou een ramp zijn als we dat niet meer konden. Zelfs als die inleving alleen maar een hulpeloos verdrietig gevoel oplevert.