MOSQUITO

Zweefvliegen mocht en kon je als scholier alleen maar wanneer je het twijfelachtige geluk had dat je ouders op de Goudkust woonden, of nog erger, als je heilig van plan was om in militaire dienst te gaan. Geen van beide was bij mij het geval, dus het bleef bij urenlang, in het gras liggend, naar de rondcirkelende houten vogels kijken. Vaak in schooltijd, nog vaker als er huis- of strafwerk gemaakt moest worden.

Tot mijn vader op een dag thuiskwam met een manshoge, felgekleurde kartonnen doos. Op de bovenkant was een fel rood en wit gekleurd vliegtuig getekend, in de blauwe lucht een beschrijving van de inhoud in wel drie talen. Die ik nog niet meester was. Voorzichtig deed ik de klep open, daar lag een orgie van hout, papier, lijm en een bouwtekening met handleiding, alweer in drie talen. En dan die lucht die uit de doos opsteeg, de geur van vers balsahout en Japanse spanzijde. Nog steeds is het mijn favoriete geur, net zo heerlijk als een geraffineerde parfum op een begeerd vrouwenlichaam.

Met een woordenboek erbij, de bouwtekening vastgeplakt op een houten plank, ging ik aan de slag, de eeuwigdurende zomervakantie op het boerengehucht was plotseling zinvol. Schaven, vijlen, schuren in het zachte balsahout. Passen, meten, langzaam maar zeker werd de bodem van de doos zichtbaar en groeide op de plank een heus vliegtuig dat zeker zo mooi was als die onbereikbare, mandragende zweefvliegtuigen. Na een paar weken kon ik het fragiele houtwerk dan eindelijk bespannen met de zijde, die eerst natgemaakt moest worden en daarna een nacht drogen. Mijn vogel zag er die avond verschrikkelijk uit, met ingevallen vleugels en een kletsnatte romp, had ik iets fout gedaan? Maar de volgende morgen was alles weer strak getrokken, zoals de bouwbeschrijving en het woordenboek hadden beloofd. Nog een paar lagen spanlak, ook zo'n geur, ik was een dope-snuiver avant la lettre. Op een drafje naar het pasgemaaide weiland, o, wat was hij mooi, en ík had hem gemaakt. De stapelwolken stonden als kastelen in de lucht, het rook er naar gemaaid gras en spanlak. Een vriendje had het snoer uit zijn werphengel gehaald om hem de hemel in te trekken. Hij holde zich suf, de Mosquito klom tegen de zon in, het snoer viel weer terug in het gras, los, en hij cirkelde traag boven onze ademloze hoofden. Dit was geluk, groot geluk. De thermiek pakte hem op in zijn warme vleugels, mijn vogel werd alsmaar kleiner en kleiner, weg, voorgoed. Misschien is hij toen wel naar de overkant van de Grote Oceaan gevlogen, neergedaald aan de rand van een pas gekapt regenwoud. En daar weer gaan groeien. Dertig jaar oud zou hij dan nu zijn, tientallen meters hoog met boven in de top het in een keurig handschrift geschreven adres van mijn ouderlijk huis.

Bij de Koninklijke Uitgeverij Thomas Rap verschijnt begin juni 'Stille Surveillance', de debuutroman van Freddy Rikken.