SCHEURING EN DESILLUSIE; Waarom Ali Abdallah Saleh met een 'Blitzkrieg' Zuid-Jemen wil veroveren

Welke waandenkbeelden bezielden Ali Abdallah Saleh, de 'broeder-president' van Jemen, om het sein te geven tot de burgeroorlog? Hoe denkt hij - zelfs als zijn troepen de Zuidelijke legereenheden verslaan en de havenstad Aden innemen - het aldus verenigd gebleven land met geweld te besturen en bijeen te houden? Dat vroegen verbijsterde waarnemers op het Arabische Schiereiland zich vorige week af, toen de president met een 'Blitzkrieg' het Zuiden trachtte te veroveren. De verbijstering werd niet minder, toen al na een paar dagen duidelijk werd dat de overrompelingsaanval maar zeer ten dele was gelukt. Alleen de in het noorden gestationeerde Zuidelijke legereenheden waren volledig onder de voet gelopen. Maar verder bleken de meeste door het Noorden gemelde triomfen op het slagveld te berusten op fantasie en dromen.

De lange uitputtingsoorlog tussen de twee Jemens, die zich nu aandient, is eveneens gebaseerd op een droom, die zowel door de Noord- als de Zuidjemenieten wordt gedeeld. Zij zagen in de enkele jaren geleden ontdekte olievoorraden de mogelijkheid om te worden als hun Saoedische buren: rijk, machtig en, op verzorgingsgebied, zeker zo modern. Zij vergaten echter dat de Saoediërs over een coherent centraal gezag beschikken, dat met niets ontziende strengheid orde en wet in eigen land handhaaft.

Zij hadden al helemaal niet verwacht dat de vooruitzichten op grote nieuwe vondsten, volgens de oliedeskundigen, lang niet zo briljant zijn als men nog maar twee jaar geleden dacht. Toen gingen meer dan twintig buitenlandse oliemaatschappijen naar olie zoeken in Jemen, vooral in het Zuiden. Bij de Jemenieten leefde de vrolijke verwachting dat zij over enkele jaren een miljoen vaten per dag zouden produceren. Dat kunnen zij nu wel vergeten. Want sinds de oorlog in volle omvang uitbrak, hebben diverse oliemaatschappijen hun biezen gepakt; en van sommige staat reeds vast dat zij niet van plan zijn terug te keren.

Als die realiteit al is doorgedrongen, dan heeft zij tot dusver geen enkele consequentie gehad. President Ali Abdallah Saleh wil vooralsnog zijn “militaire oplossing” niet opgeven - misschien omdat hij geen andere keus meer heeft, nu de olievelden van Ma'rib in het noorden hun beste tijd hebben gehad en in de nabije toekomst alleen maar minder zullen opleveren. Dat is buitengewoon ernstig omdat Jemen de afgelopen vier jaar vrijwel geen financiële steun van buitenaf meer kreeg. In 1992 behoorde Jemen al tot de armste landen ter wereld, met een jaarlijks bruto nationaal produkt van 700 dollar per persoon. Daarna nam de verpaupering in nog sneller tempo toe.

Tegenwicht

Met het einde van de Koude Oorlog verloren de buitenlandse mogendheden hun belangstelling voor de twee Jemens. Aden was voor de Russen niet langer strategisch interessant. En dus was ook Noord-Jemen, dat door het Westen en China als tegenwicht tegen Zuid-Jemen was gebruikt, van weinig belang meer. De economische steun stokte en staakte vervolgens. Dat betekende dat Noord-Jemen, om zijn economische nood een beetje te verlichten, steeds meer aangewezen raakte op de olie-inkomsten van Zuid-Jemen.

De Golfoorlog van 1991 verergerde de situatie, nadat president Ali Abdallah Saleh zijn sympathie voor Saddam Hussein in diens oorlog tegen Koeweit en het Westen niet onder stoelen of banken had gestoken. Direct na de Iraakse overval op Koeweit deed in de Arabische Golfstaten het gerucht de ronde dat Saddam een geheime overeenkomst had gesloten met de leiders van Jordanië, Jemen en de PLO om gezamenlijk Saoedi-Arabië eronder te krijgen en zelfs te verdelen. Nu zeggen Saoedische diplomaten dat Saddam Hussein in het voorjaar van 1990 Ali Abdallah Saleh op alle mogelijke manieren ertoe aanzette Noord- en Zuid-Jemen te verenigen, teneinde sterker te staan als men in augustus gezamenlijk eerst Koeweit en vervolgens Saoedi-Arabië zou aanvallen.

De wraak bleef niet uit. Alle Arabische oliestaten staakten hun giften en subsidies. Daarnaast zetten de Saoediërs ongeveer 850.000 Jemenieten uit hun land, waarmee zij twee vliegen in één klap sloegen. De verdiensten van deze gastarbeiders vloeiden voor een belangrijk deel naar Jemen terug en vormden daar één van de belangrijkste inkomstenbronnen. Bovendien leidde hun gedwongen terugkeer in Jemen tot gigantische economische en sociale problemen, die de overheid niet de baas kon worden. Zo is de afgelopen twee jaar de inflatie verdubbeld tot honderd procent. De waarde van de dinar schoot naar beneden; in 1991 betaalde men in Sana'a voor een dollar 37 dinar, een val van 200 procent. Nu wordt de dollar tegen 78 dinar verhandeld. Er ontstonden bloedige voedselrellen en de politieke onrust nam toe, resulterend in een steeds groter aantal moorden en ontvoeringen.

Ali Abdallah Saleh stond dan ook de laatste tijd voor steeds ernstiger problemen - precies als zijn vriend en voorbeeld Saddam Hussein begin 1990. En zoals Saddam de overval op Koeweit zag als de enig overgebleven oplossing voor zijn economische misère, zo besloot Ali Abdallah Saleh tot de aanval op Zuid-Jemen over te gaan, nadat de Zuidjemenitische leiders duidelijk hadden gemaakt dat zij niet bereid waren om hun land en hun oliebronnen domweg door het Noorden te laten annexeren. De Jemenitische president werd mede tot zijn beslissing gedwongen door de toegenomen invloed van de fundamentalisten, die zich in de Islah-partij hebben verzameld. Hun heilig doel en streven is voor eens en altijd met de goddeloze mores van het Zuiden af te rekenen. Zo werd bij voorbeeld al in 1991 op de boulevard van Aden een aanslag gepleegd. Picknickende gezinnen die daar schaamteloos, want niet volgens sexe gescheiden, bijeen zaten, waren het doelwit.

In feite kon Ali Abdallah Saleh geen kant meer op. Het Zuiden eiste meer decentralisatie van het bestuur om niet in het verenigde Jemen te verdrinken. En het eiste ook dat de strijdkrachten onder één centrale leiding zouden komen te staan - wat onder andere betekende dat de presidentiële garde, die naar het Iraakse voorbeeld was opgebouwd, direct onder de (door het Zuiden benoemde en inmiddels door het Noorden ontslagen) minister van defensie zou vallen. Daarmee zouden Ali Abdallah Saleh en zijn broers en halfbroers al datgene wat zij aan macht hadden opgebouwd, vrijwel geheel verliezen - tot groot genoegen overigens van ook veel Noorderlingen, die de ongehoorde corruptie van de familie van de president spuugzat zijn.

Capitulatie

Ali Abdallah Saleh moest zo snel mogelijk de oorlog beginnen, omdat zijn soldaten al maanden geen soldij meer ontvingen en met de dag onbetrouwbaarder werden. Om te overleven moet hij de oorlog winnen. Dus hebben zijn woordvoerders bekend gemaakt dat het Noorden uitsluitend tot een staakt-het-vuren bereid is, als de Zuidelijken de legitimiteit erkennen van de centrale regering in Sana'a (waaruit intussen alle Zuidelijke ministers ontslagen zijn). Met andere woorden: het Noorden eist de politieke en militaire capitulatie van het Zuiden. Ali Abdallah Saleh heeft diverse malen te kennen gegeven dat er met de “communisten” voldoende gepraat is en dat verdere onderhandelingen met hen zinloos zijn. En radio-Sana'a, dat onder zijn controle staat, heeft - om alle misverstanden uit de weg te ruimen - bekend gemaakt dat “alleen de militaire optie nog open staat om de afscheiding (van het Zuiden) de voet dwars te zetten”. De Zuidelijke leiders zijn de afgelopen week door de Noordelijke leiders herhaaldelijk voor “oorlogsmisdadigers” en “verraders” uitgemaakt. Zij zouden het zijn “die de oorlog hebben verklaard aan het volk en aan iedereen die de eenheid steunt”. Het maximum dat Ali Abdallah Saleh hun biedt, is “een eerlijke berechting”.

Die compromisloze taal en politiek is - zeggen Arabische waarnemers die de grilligheden van de Jemenitische politiek al jaren volgen - een doodlopende straat. Eén van hen, een oude Saoediër, herinnert aan de wijsheid van zijn vroegere koning Abul Aziz ibn Abd al-Rahman al-Faisal al-Saoud. Hij gaf in het jaar 1934, tijdens de Saoedisch-Jemenitische oorlog, bevel de winnende Saoedische troepen terug te trekken. Eén van zijn zoons, de latere koning Faisal, vroeg waarvoor dat nodig was. Abdul Aziz antwoordde: “Omdat in de geschiedenis van het Ottomaanse Imperium nog nooit een Turkse divisie onbeschadigd Jemen heeft verlaten. Ik wil datzelfde lot niet ondergaan. We hebben de Jemenieten een lesje geleerd. Het is nu voldoende.”

Het verhaal is apocrief, omdat Abdul Aziz onder Britse en Italiaanse druk bijna al zijn veroveringen in Jemen moest opgeven. Hij hield alleen de veroverde provincie Asir in het noorden van Noord-Jemen voor een periode van 50 jaar. Daarna zouden de partijen over de definitieve toekomst van dat gebied onderhandelen. Pas vorig jaar - 70 jaar nadien - kwamen die onderhandelingen tot stand. Zij leverden niets op omdat goed nabuurschap in de Arabische wereld een grote uitzondering is. Volgens een ijzeren politieke vuistregel is men - ter garantie van de eigen rust en veiligheid - bevriend met de buurman van zijn buurman, die men haat. Daarom zullen de directe buren van Ali Abdallah Saleh hun uiterste best doen om zijn plannen te dwarsbomen Aden en de zuidelijke olievelden te veroveren.

In hun opzet zullen zij worden geholpen door de tribale structuren van Jemen, dat pas vier jaar geleden voor het eerst in zijn lange geschiedenis op papier één verenigd land werd. De altijd aanwezige stammen-tegenstellingen, met name in het Noorden, staan er garant voor dat Ali Abdallah Saleh de weg van zijn eigen ondergang en die van de twee Jemens is ingeslagen. En een politiek-diplomatieke oplossing is niet in zicht.

De Jemenitische president strijdt in naam van de eenheid van Jemen. Maar tot dusver probeerde hij die eenheid te bewerkstelligen zonder machtsdeling met de Zuiderlingen. Dat kon, zegt een Arabische kenner, wijzend op de geschiedenis van Saoedi-Arabië, nooit lukken. “Saoedi-Arabië was in de eerste decennia van deze eeuw een stammen-samenleving, die met een combinatie van geweld en diplomatie tot een eenheidsstaat werd geforceerd. Maar toen waren de stammen in dat uitgestrekte gebied lang niet zo zwaar bewapend als thans de stammen in de twee Jemens. En bovendien beschikte Abd al-Aziz, de stichter van het Saoedische koninkrijk, over een machtig ideologisch wapen - de Wahabitische leer, dat wil zeggen de strengste vorm van de islam. Zijn volgelingen, de Moslim-broeders, konden stam na stam verslaan, stad na stad innemen, omdat zij in de absolute zekerheid verkeerden dat zij voor God streden.”

Ali Abdallah Saleh heeft echter geen samenbundelende ideologie en ook niet voldoende macht. Toen het hem financieel nog enigszins goed ging dankzij de steun uit vele buitenlandse bronnen, kon hij met een combinatie van diplomatie (in de vorm van honderden Mercedessen, dure qat-sessies en andere cadeaus) en licht geweld zijn gezag vestigen over die delen van Noord-Jemen die niet onder de controle stonden van sterke sjeiks. Maar toen al moest hij heel vaak door de vingers zien dat zij hun eigen wil en wetten doorzetten. Hij had daar in feite ook wel begrip voor omdat hijzelf nog sterk aan zijn stam is gebonden. Tegelijkertijd streefde hij echter ook naar versterking van het centrale gezag. Dat streven kwam steeds meer in de klem, naarmate het land verarmde en de mogelijkheden opdroogden om aanhang te kopen.

Verantwoordelijk

In een stammen-samenleving als Jemen ziet men de staat uitsluitend als een melkkoe, waaraan men verder geen verplichtingen heeft. De stammen hebben hun eigen politieke en sociale cultuur, en daarnaast ook hun eigen wetten die sterk kunnen afwijken van het nationale strafrecht. De hele stam wordt verantwoordelijk geacht voor de daden van zijn individuele leden, die daaraan bescherming en maatschappelijke zekerheid ontlenen. Omgekeerd wordt van de stamleden absolute loyaliteit verwacht. Zij moeten blindelings de in consensus genomen besluiten van de raad van stamoudsten volgen. De stammen worden prominenter, naarmate het staatsgezag minder bescherming biedt, omdat de sjeiks van de stammen - al was het maar om zich als leider van hun stam te handhaven - die bescherming juist wél geven.

Weliswaar zijn velen in de grote steden niet langer stam-gebonden. Maar ook zij weten dat zij niet al te zeer tegen de solidariteit in eigen kring kunnen ingaan, omdat de overheid - teneinde zélf te overleven - altijd gedwongen is tot onderonsjes met de stam-leiders. De stammen zijn namelijk verenigd in confederaties, zodat als één stam wordt aangevallen, hij om hulp kan vragen van de met hem verbonden stammen. Bovendien koopt het rijke buurland Saoedi-Arabië met subsidies en materiële voorzieningen de loyaliteit van vele stammen. Dat gaat zelfs zó ver dat veel inwoners van de noordelijke stad Sa'dah twaalf jaar geleden niet wisten of zij Jemenieten waren dan wel Saoudi's - zozeer stonden zij via hun (door Saoedi-Arabië betaalde sjeiks) onder Saoedische invloed.

De stamleiders zijn echter vooral zo machtig omdat de meeste stammen soeverein zijn op eigen gebied en over grote hoeveelheden wapens beschikken. Die wapens zijn weliswaar niet allemaal even up-to-date, omdat de Saoedische wapenleverancier er altijd voor zorgt dat zijn Jemenitische clientèle niet al te onafhankelijk kan optreden. Maar desgewenst kan de wapenaanvoer in tijden van crisis worden verveelvoudigd en aan de eisen van de moderne oorlogvoering aangepast.

Het wapenbezit werd van oudsher in Jemen, waar de stammen elkaar voortdurend bevochten, zeer gecultiveerd. Daarom is sinds onheuglijke tijden de djambia, het kleine kromzwaard, het symbool bij uitstek van fiere manlijkheid. Nog altijd krijgt elke jongen, als hij volwassen wordt, van zijn vader een djambia. Bestraffing voor een misdrijf wordt nog steeds in een aantal streken bestraft met de tijdelijke inname van de djambia. Jemenieten die met een lege zwaardschede moeten rondlopen, hebben hetzelfde gevoel van schaamte en vernedering als Westerlingen met een open gulp. In de kastenmaatschappij die Noord-Jemen nog steeds is, mogen dan ook minderwaardig geachte lieden als de akhdam (de immigranten uit zwart-Afrika en de afstammelingen van de uit Afrika gehaalde slaven die thans als dagloners of schoenlappers werken en die slechts op bepaalde plaatsen aan de rand van de stad kunnen wonen) en de joden de djambia niet dragen, hoewel de joden de kromzwaarden wél mogen vervaardigen.

De modernisering zorgde echter voor een aanvulling van de djambia - met kalasjnikovs. Er is waarschijnlijk geen land ter wereld waar de burgerbevolking over zoveel vuurwapens beschikt - volgens een zeer recente schatting van de overheid 50 miljoen stuks, wat neerkomt op ongeveer vier vuurwapens voor elke man, vrouw en kind, baby's incluis. De minister van binnenlandse zaken deed er onlangs zijn beklag over: “Helaas staat de wet het dragen, het bezitten en het verhandelen van wapens toe (...) waardoor wapens, net zoals water en lucht, voor iedereen beschikbaar zijn.”

Weliswaar hebben de autoriteiten bij binnenkomst van een paar steden een soort vestiaire ingericht. Daar moeten de trotse eigenaars hun kalasjnikov tegen een ontvangstbewijs in bewaring geven alvorens de stad in te gaan. Maar in andere steden - en zeker in de dorpen - gelden die bepalingen niet. En in grote delen van Noord-Jemen, waar de stammen het voor het zeggen hebben, zijn er op de wegen meer militaire controleposten van de stammen dan van het leger. Er rijden daar terreinwagens rond van het merk Toyota, vaak gestolen van een andere stam of gesmokkeld uit Saoedi-Arabië. Daarom hebben ze geen nummerbord, maar ze zijn wel uitgerust met machinegeweren en anti-tank-raketten. Sommige sjeiks beschikken zelfs over hun eigen tanks en zware artillerie. Op de velden waar het kostbare qat wordt verbouwd, hebben de boeren wachttorens gebouwd. Vandaar kunnen zij en hun met kalasjnikovs bewapende familieleden 's nachts tijdens het oogstseizoen eventuele rovers onder schot nemen.

Het zijn omstandigheden die Jemen - als de vlam in de pan slaat - tot één groot kruitvat maken. Want waar men vroeger een paar, hoogstens tientallen mensen doodde, is thans het aantal slachtoffers door de efficiëntie van de gebruikte wapens veel groter. Dat leidde al eerder in een ogenschijnlijk gemoderniseerde stammenmaatschappij tot de waarschijnlijk definitieve vernietiging van Libanon als cultureel- en handelscentrum in de Arabische wereld.

Al in rustige tijden moest naar schatting twintig procent van de patiënten in de ziekenhuizen van Noord-Jemen voor schotwonden worden behandeld. Vandaar, dat veel stedelingen, met Libanon als afschrikwekkend voorbeeld, naar een moderne staat streefden, waar het gezag in handen is van één machtscentrum. Maar zij vergaten dat zo'n krachtig centraal gezag de neiging heeft uiterst dictatoriaal op te treden, zodra het over voldoende machtsmiddelen beschikt en er onvoldoende tegenkrachten zijn.

Dat zwakke overheidsgezag was precies wat Noord-Jemen zoveel vriendelijker maakte dan Zuid-Jemen. In Noord-Jemen bleef het overheidsgezag beperkt, wat Ali Abdallah Saleh ook deed. Vrijwel alles moest daar gebeuren via onderhandelingen, omkoping en compromissen, die bijna alle op qat-sessies tot stand kwamen. De overheid gebruikte de buitenlandse hulpprojecten om haar invloed uit te breiden. Zij had echter onvoldoende machtsmiddelen om haar wil met geweld op te leggen. In de hoofdstad Sana'a bij voorbeeld konden de militairen het zich niet veroorloven om in tijden van schaarste in de rij voor het benzinestation vóór hun beurt te gaan, omdat de burgers dat gewoon niet pikten. In Zuid-Jemen daarentegen, een samenraapsel van het vroegere Britse protectoraat Aden en een losse federatie van stammen, bestreed het bloedige bewind van de marxisten te vuur en te zwaard de oude stammencultuur. Dus kon de tirannieke overheid daar, geholpen door de zeer doelmatige en gevreesde veiligheidsadviseurs van Oost-Duitsland, zich veel meer bruut en open geweld veroorloven.

Toen beide Jemens vier jaar geleden - na decennia van publieke vriendelijkheden en geheime vijandschap, intriges, moord en zelfs oorlog - een verstandshuwelijk aangingen, besloten zij - omdat ze elkaar voor geen dinar vertrouwden - de nieuwe staat in een democratische jas te steken. Politieke partijen werden toegestaan, begeleid door een ongekende vrijheid van meningsuiting. De traditionele politieke leiders vertrouwden op voldoende stemmen van hun volgelingen om hun macht, althans gedeeltelijk, in stand te houden. Zij werden niet in hun verwachtingen bedrogen. Want een stammen-cultuur is per definitie gericht op de groep, die het individu dwangmatig alle beslissingen voorschrijft, terwijl democratie juist uitgaat van de vrije keuze van het individu. De verkiezingen leidden dan ook niet tot onverwachte machtsverschuivingen. Maar de democratisering resulteerde wél in de verschijning van meer dan 150 kranten en tijdschriften. Alleen al in Sana'a verschenen twaalf kranten. Niemand heeft ooit uitgezocht hoe die levensvatbaar konden zijn in een samenleving, waar naar schatting tachtig procent van de bevolking analfabeet is.

De democratisering van een traditioneel zeer autoritair geleide samenleving had ook tot gevolg dat de conflicten, die door de machthebbers tot dan met de mantel der discretie waren bedekt, meer dan vroeger op straat kwamen. Wat voorheen een gerucht was, werd nu - alleen omdat het gedrukt was - onomstotelijke waarheid. In de Jemenitische maatschappij, waar fantasie en werkelijkheid toch al zo nauw met elkaar verweven zijn en waar de economische teruggang voor iedereen voelbaar werd, leidde dat tot steeds ernstiger spanningen. Spanningen die de leiders boven het hoofd groeiden.

Dat was op zichzelf geen verrassing. De introductie van democratie in een samenleving die met verlies van eigen waarden en een snelle economische teruggang wordt geconfronteerd, is het recept bij uitstek voor revolutie en de geboorte van een nieuwe tirannie. De ontwikkelingen in Iran, Soedan, Algerije en delen van het uiteengeslagen Sovjet-imperium hebben dat meer dan genoeg aangetoond.

Daarom is nu de droom van een verenigd en democratisch Jemen, dat zijn autocratische buren tot lichtend voorbeeld zou strekken, uiteengespat. Er worden arrestaties in Sana'a gemeld. Gewonde krijgsgevangenen van de tegenpartij zouden uit ziekenhuizen zijn meegenomen en naar onbekende bestemming afgevoerd. En diverse kranten, zoals de Jemen Times die al te kritisch over de president berichtte, verschijnen op last van de overheid niet langer. Er zijn nu nog maar drie kranten in Sana'a.

Noord- en Zuid-Jemen zijn waarschijnlijk niet in staat elkaar beslissend te verslaan. Dus zullen zij in de toekomst opnieuw hun eigen weg bewandelen. Misschien zullen zij zelfs elk op hun beurt verder uiteenvallen - door de oorlog nog verder verarmd en met duizend illusies minder.