'DDR-sporters hebben de pech dat is genoteerd wat ze hebben gebruikt'

De notities van dopingchef Dr. Höppner zijn een goudmijn. Zijn rapporten aan de Stasi produceren al vier jaar lang de ene na de ander onthulling over de Duitse Doping Republiek. Misbruikte sporters, overijverige trainers en corrupte bestuurders. Een tussenbalans.

ROTTERDAM, 14 MEI. De wereldrecords en de gouden medailles van de DDR-sporters die nu beschuldigd zijn van dopinggebruik, staan nog altijd in de recordboeken. Toch is het zeer onwaarschijnlijk dat de prestaties van sporters, waarvan vast is komen te staan dat ze ongeoorloofde middelen hebben gebruikt, alsnog geschrapt worden. Dat is in het verleden pas één keer voorgekomen: de Canadese sprinter Ben Johnson werd na de 100 meter betrapt bij de Spelen in Seoul en werd vervolgens ook het indoor-wereldrecord op de 60 meter ontnomen.

Discussies over nieuwe ranglijsten doet Emile Vrijman, directeur van het Nederlands centrum voor dopingvraagstukken, af als 'kletspraat'. “De DDR-sporters hebben de pech dat is genoteerd wat ze hebben gebruikt. Maar om een nieuwe lijst te kunnen maken zou je van iedereen moeten nagaan of hij geen doping gebruikt heeft. Je weet nooit met zekerheid wie wel gebruikte en wie niet. Ook in Nederland gaan de geruchten. Ook in het westen is er gebruikt.”

De onthullingen van het echtpaar Franke heeft Vrijman met belangstelling gevolgd, al rijst er bij hem verbazing over de manier waarop het materiaal druppelsgewijs de Duits media bereikt. Hij deelt de verontwaardiging van Franke over experimenten met kinderen en over het toedienen van pillen zonder dat de sporters dat zelf wisten. Maar het Duitse echtpaar laat wel eens na om de discussie over de toepassing van anabolica in haar tijd te plaatsen. De middelen werden eind jaren zestig voor het eerst gebruikt, halverwege de jaren zeventig werden de eerste dopingreglementen (lijsten met verboden middelen) vastgesteld. En onder artsen bestond tot halverwege de jaren tachtig nog onduidelijkheid over de vraag of de middelen wel werkten en of er schadelijke bijwerkingen zouden optreden. De Duitse dopingjager professor Dokine houdt nog steeds vol dat anabolica bij mannen niet helpen.

Wat Vrijman zelf het meest verbaasd heeft, is de schaal waarop in de DDR is gewerkt. “In het Westen was en is dopinggebruik een soort hobbyisme. Individuen of kleine groepen experimenteerden, de een met wat meer verstand dan de ander. Maar de belangrijkste man in de DDR, de dopingchef Höppner, stond aan het hoofd van een complete hiërarchie van wetenschappers en artsen die het proces begeleidden. Alle schema's werden centraal bijgehouden. Daarbij moet je ook de rol van trainers en clubs niet onderschatten. Die waren afhankelijk van de prestaties die hun sporters leverden.”

Hij noemt het ook opvallend dat er zo weinig naar buiten komt over bijwerkingen bij atleten die jarenlang doping gebruikten. De 'vermannelijking' van vrouwelijke atleten door het gebruik van anabole steroïden was een bekend verschijnsel. Een lage stem was het meest opvallende kenmerk. “In 1976 bij de Olympische Spelen van Montreal werd een Oost-Duitse zwemcoach gevraagd waarom zijn atletes zulke lage stemmen hadden. 'Wij zijn hier om te zwemmen, niet om te zingen', antwoordde die coach.”

Maar het is waarschijnlijk dat de DDR-sporters de anabolica gebruikten in kleine hoeveelheden. “Uit de DDR kwamen geen echte kolossen. Waarschijnlijk was het motto: 'als we doping verstrekken, dan moet de medische begeleiding ook optimaal zijn.' Je zou zelfs kunnen zeggen dat de DDR-sporters beter af waren dan de westerse sporters die op eigen houtje experimenteerden.”

Het meest schokkende voorbeeld van de incorporatie van dopinggebruik in het Oostduitse trainingssysteem, noemt Vrijman het gebuik van het laboratorium in Kreischa. Dat was een door het IOC goedgekeurd lab, bedoeld om doping tegen te gaan. Het moest na wedstrijden urinemonsters testen om gebruikers te kunnen bestraffen. Maar het werd eveneens gebruikt om DDR-sporters te testen voordat ze naar het buitenland gingen. Als ze positief waren, mochten ze niet reizen. “De zaak werd dus omgedraaid.”

De geruchtenstroom over een 'mafia' van sportbestuurders, die positieve gevallen verhullen, waren Vrijman al bekend. “Zolang de sport zelf de controles uitvoert, zal je dat soort beschuldigingen houden. Doping levert negatieve publiciteit op, die schadelijk kan zijn voor de sportkoepels. Daarom kan het voor bestuurders van belang zijn om positieve testen te verhullen. Het gerucht dat er in Los Angeles in 1984 elf gevallen zijn verzwegen, bestaat al langer. En in 1988 zijn er bijvoorbeeld bij de olympische kwalificatiewedstrijden in de Verenigde Staten elf positieve gevallen door de Amerikaanse atletiekbond afgedaan met 'het drinken van de verkeerde kruidenthee'. Die atleten hadden drie maanden geschorst moeten worden. Ook toen Ben Johnson betrapt werd, ging het gerucht dat de medische commissie van het IOC die affaire in de doofpot had willen stoppen.”