'Voor 1996 zie ik Duitsland de grote bocht nog niet nemen'

Beleeft Duitsland een echte economische opleving, is de recessie er zo goed als voorbij? Vandaag het tweede deel van een gesprek met prof. Norbert Walter, chef-econoom van de Deutsche Bank en een man die in de Bondsrepubliek bekend staat om zijn uitgesproken, en vaak afwijkende, opvattingen. Dit deel gaat vooral over de toekomstkansen van de Duitse exportindustrie, van oudsher hét trekpaard van de Duitse economie.

Hoe staat het met de Duitse groei-industriëen, welke innovatieve kansen zijn er? Prof. Norbert Walter ziet 'lichtpuntjes al hebben die nog niet tot verbetering van de produktieplaats Duitsland geleid'. Maar 'ze geven wel hoop dat zoiets in de toekomst gaat gebeuren.' De balans opmakend erkent hij dat er het afgelopen jaar niet meer geld voor research is gekomen, noch in het bedrijfsleven noch bij de overheid. “Zowel in het bedrijfsleven als bij de overheid is het geld voor innovatie en research krapper geworden. De staat heeft daarvoor al geruime tijd geen geld meer, dat heeft met de kosten van de Duitse eenwording te maken, en voor het bedrijfsleven gelden nu conjuncturele redenen.

“Traditioneel hangen research en innovatie daar vaak samen met uitbreidingsplannen, en die zijn er door de bestaande overcapaciteiten nu niet of nauwelijks. Daarnaast bestaan er oude problemen, trefwoorden: technologie-vijandigheid en vertragingen bij beslissingsprocedures, die voor veel bedrijven - naast het kostenvraagstuk - redenen waren om nieuwe produkties geheel of gedeeltelijk naar het buitenland te verplaatsen.

“In praktisch al dergelijke gevallen zie ik wel een mentaliteitsverandering op gang komen. We zijn ons aan het afwenden van deze negatieve houding, van onze bureaucratie-bezetenheid, de dingen worden flexibeler in de ambtenarij. Het klimaat wordt ook wat vriendelijker jegens techniek en technologie omdat de vakbonden inzien dat zij anders straks alleen nog maar kunnen onderhandelen over lagere lonen en minder banen, zij beginnen te beseffen dat we absoluut naar een modernere economische structuur toemoeten.

Wat doen de Duitse banken, behalve soms aandacht trekken door flaters met hun kredietpolitiek?

“Internationaal operende banken als de onze hebben de afgelopen jaren systematisch een groot deel van hun winst dankzij nieuwe internationale activiteiten behaald. In de twee afgelopen jaren was het vooral investment- banking die voor de binnenlandse winstbijdrage zorgde. In de fase van de Duitse de-industrialisering is de nauwe relatie met veel klanten natuurlijk weggevallen.”

De-industralisatie van Duitsland? Wanneer is die begonnen?

“De ont-industrialisering van Oost-Duitsland is in 1990 begonnen, de de-industrialisering van West-Duitsland waarschijnlijk in 1992. Wij hebben om het zo maar te zeggen met één grote Kraftakt onze produktiekosten naar boven gekatapulteerd en onszelf daarmee ook gedeeltelijk uit de internationale competitie verwijderd. Onder zulke omstandigheden is het natuurlijk de vraag of het bedrijfsleven op eigen kracht tot heroriëntaties weet te komen en of dat bedrijfsleven voor ons als bank wel de belangrijkste inkomstenbron kan blijven. Ik vermoed dat het antwoord daarop niet wholeheartedly 'ja' kan zijn. Het reparatieproces zal in het Duitse bedrijfsleven immers lang gaan duren, de managementcapaciteit is ook daar bovendien beperkt terwijl de buitenlandse concurrentie niet slaapt.

“Daarom geloof ik dat de globale gerichtheid van de Duitse banken zal voortduren. Ja, dat is zo, hun internationale activiteiten zullen absoluut en relatief zelfs verder groeien. Natuurlijk blijft onze relationship banking, de intensieve begeleiding van onze Duitse klanten, en daarmee de weg naar een nieuwe Duitse economische toekomst, voor ons zeer belangrijk. Daarvoor neemt de bank strategische besluiten. Zoals over banden met consultancy-bedrijven, met participatie-maatschappijen, die natuurlijk ook hun kennis van de markt en hun management-kwaliteit inbrengen.”

Maar toch klinkt dat alsof the offshoring of Germany, als ik zo op een van uw uitdrukkingen mag variëren, ook volop aan de gang is bij de grote Duitse banken. Staat de Deutsche Bank al met één been buiten Duitsland?

“Nee, zo kras is het niet. Maar via onze adviserende taak spelen we wel een rol voor klanten die zoiets overwegen. Van auto's of locomotieven en de markt daarvoor weten we natuurlijk zelf niet zoveel als klanten die op zo'n gebied werken. Daarvoor bestaan bovendien aparte consultancy-bedrijven. En dan telt natuurlijk ook dat in Oost-Duitsland 13.000 vroegere staatsbedrijven moesten worden geprivatiseerd en daarmee is de bancaire adviescapaciteit behoorlijk op de proef gesteld.”

Waar ziet u goede kansen voor welke Duitse bedrijven?

“Duitse bedrijven hebben de komende decennia vooral kansen in de machinebouw. Dat wordt wel betwijfeld, maar ik geloof dat de ondernemingsstructuur en de nabijheid van klanten daar belangrijke voordelen zijn. En ik geloof ook dat we, bij een bewezen voorsprong, in de sector milieutechnologie een belangrijke rol kunnen en zullen spelen. Onze moeilijkheden in de computer-industrie, dataverwerking en telecommunicatie en in de mediatechniek zijn te groot om nog bij de wereldtop te kunnen komen. We hebben op dat terrein ten opzichte van Japan en vooral in vergelijking met de Verenigde Staten al te grote achterstanden opgelopen. Daar kunnen we eigenlijk alleen aan de bal blijven door te importeren.

“Dat is in het bankwezen net zo, we kunnen vandaag niet meer bouwen op Duitse opleidingen en daarmee op een goede manier moderne financieringsinstrumenten ontwikkelen en bedienen. We hebben daarvoor de invoer van gekwalificeerde know how uit Londen, New York en Chicago nodig. Alleen op die manier kunnen we in de loop van de komende dertig jaar wellicht weer topposities bereiken, maar op korte termijn is dat onmogelijk. Daarvoor hebben we eigen wetenschappelijke instituten en research-laboratoria nodig die eerst aan een internationale minimumstandaard moeten voldoen en daarna een top-reputatie moeten zien te bereiken.

“Zo'n standaard heeft Duitsland in zijn natuurwetenschappelijke opleiding wel. Daarom geloof ik dat we met onze ingenieurs op het terrein van de machinebouw en delen van de elektrotechnische industrie wel in het eerste gelid zullen blijven. In de milieutechnologie heeft Duitsland zowel een kennis- als een gebruikers- en ervaringsvoorsprong, en die zal zeker de komende 15 jaar nog lonend blijven en te verdedigen zijn. Voor de lucht- en ruimtevaart wordt het moeilijk. Ten eerste omdat de voortgaand inkrimpende militaire markt er voor een structureel probleem zorgt. En ten tweede omdat de ruimtevaart door de slechte toestand van de overheidsfinanciën onder sterke druk is gekomen. Maar in de civiele luchtvaartindustrie zal de groei zich voortzetten, de huidige zwakte van de markt heeft vooral conjuncturele redenen.

“In het algemeen zal de industriële uittocht naar het buitenland, die uit een oogpunt van internationale arbeidsverdeling vaak heel goed kan zijn, over een vrij breed terrein doorgaan, zij het wellicht zonder nieuwe tempoverhoging. Maar er is de komende jaren een goede kans op expansie op het gebied van de dienstverlening. En ik heb de bouw nog niet genoemd omdat die internationaal-economisch geen directe rol speelt, maar die uitstekend loopt. Duitsland is een immigratieland, er blijven veel woningen nodig. We hebben een tekort van meer dan twee miljoen woningen, alleen in West-Duitsland moeten er waarschijnlijk jaarlijks 550.000 worden gebouwd, in 1987 waren er dat nog 270.000. En in Oost-Duitsland moet de komende jaren onverminderd doorgewerkt worden aan een nieuwe infrastructuur.

Bent u nu in het jaar sinds ons vorige gesprek per saldo optimistischer of pessimistischer geworden over de toekomst van de Duitse economie?

“Mijn opvatting is niet erg veranderd. Zij het dan dat de conjuncturele opleving intussen is begonnen. Structureel is er in de loonpolitiek wel wat gewonnen, zeker als de CAO-matiging van dit voorjaar in 1995 doorzet, wat ik wel verwacht. Voor de economische politiek verwacht ik niet dat er vóór 1996 een echte kentering komt. Maar ik geloof nog steeds dat zo'n kentering er zál komen. Kortom: ik ben niet pessimistischer geworden, maar ik moet erbij zeggen dat ik er ook niet méér van overtuigd ben geraakt dat we zo dadelijk in Duitsland echt de Grote Bocht gaan nemen. Veel van mijn collega's zijn somber dat de 'politiek' op dezelfde manier zal blijven doormodderen. En eerlijk gezegd, denk ik ook dat we vóór 1996 in dit land niet tot meer op prestatie gerichte verandering zullen komen”.