Het Oude Testament in analyse

De bijbel lijkt soms op zijn best een antieke variant van de soap-serie 'Onderweg naar morgen'. Maar twee nieuwe studies tonen aan dat ontrafeling van psychologische complexen en hartstochten in het oude boek tot verrassende inzichten leidt die geenszins alleen maar antiek hoeven te zijn.

Joop Smit en Harry Stroeken: Lotgevallen. De Bijbel in psychoanalytisch perspectief 283 blz., Boom 1993, ƒ 34,50

Jaap Goedegebuure: De Schrift herschreven. De bijbel in de moderne literatuur 132 blz., geïll., Amsterdam University Press, 1993, ƒ 29,50

Otto Weininger: Melanie Klein. From Theory to Reality 210 blz., Karnak Books, London, 1992, ƒ 58,50

Van alle koningen in het oude Israel was de eerste meteen de meest tragische en in psychiatrisch opzicht verreweg het interessantst. Saul moet een mooie jongen zijn geweest, een kop groter dan de rest, maar verschrikkelijk verlegen. De trieste afloop van zijn koningschap moet hij ergens aan hebben gevoeld. Hij kruipt weg als het volk hem als koning nodig heeft. Aanvankelijk is hij wars van elke majesteitelijke pracht en praal, later ontpopt hij zich als een hoekige, ongenaakbare en zelfs krankzinnige figuur. Een persoon met Shakespeareaanse allure. Het zaad van Sauls ondergang heet afgunst. Het is al vóór het begin van zijn koningschap gezaaid. Ten minste twee belangrijke dramatis personae, de geestelijk leider Samuel en God zelf zijn door de roep van het volk om een koning narcistisch gekrenkt.

De duistere kant van Sauls zieleleven moest hoognodig eens door de psycho-analytische wringer gehaald. Toch zien Joop Smit en Harry Stroeken in hun boek Lotgevallen. De bijbel in psychoanalytisch perspectief Saul merkwaardig genoeg over het hoofd. Gelukkig maakt Jaap Goedegebuure deze hinderlijke omissie grotendeels goed in het boekje De Schrift herschreven. De Bijbel in de moderne literatuur.

Aan de hand van zeven bijbelgedeelten demonstreert Goedegebuure, die behalve hoogleraar literatuurgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit Brabant ook recensent is voor HP/De Tijd, welke essentie moderne schrijvers daaruit hebben opgepikt en voegt daar bovendien nog een persoonlijke visie aan toe. Zo portretteert hij Saul met in zijn achterhoofd de interpretaties van André Gide uit 1896, Saul en Abel J. Herzberg uit 1959, Sauls dood, als iemand die permanent uit het lood geslagen is en die het liefst beslissingen aan anderen overlaat omdat hij weet dat hij mislukt zodra hij de geijkte paden verlaat.

Aanvankelijk heeft Saul psychiatrisch gezien trekken van een vermijdende persoonlijkheid. Maar over de diagnostische betekenis van Sauls latere zwaarmoedigheid en achterdocht is men het in psychiatrische kring minder eens. Populair is de opvatting dat Saul melancholisch of manisch-depressief moet zijn geweest, maar voor de diagnose 'schizofrenie' valt eveneens iets te zeggen. Gides Saul is homoërotisch ingesteld en veel grimmiger dan de figuur die Herzberg verbeeldt. Onverbloemd toont Gide de religieuze extasen in de vorm van een schare demonen, die Saul tot dronkenschap, moordzucht en occultisme aanzetten. Opvallend is dat Gide zijn stuk laat beginnen met Sauls vervolging van de heksen en tovenaars en dit uitlegt als een poging van Saul de kennis omtrent de toekomst gierig voor zichzelf te houden.

Gide en Herzberg poneren beiden dat de tragiek van Israels proefkoning is dat hij van zichzelf maar bitter weinig begrijpt. In opperste ellende raadpleegt Saul incognito de enige waarzegster van het land die zijn moordlust heeft overleefd. Zij roept de reeds overleden profeet Samuel voor hem op die hem de finale van het raadsel vertelt. (Het oproepen van de geesten van overledenen stond overigens haaks op het joodse denken en paste meer bij de gebruiken der niet-joodse volkeren.) De Geest Gods is dan allang geweken van Saul, hij wacht het slot niet meer af en geeft zijn knecht opdracht hem te doden. Pas wanneer zijn dienaar dat weigert, neemt Saul zelf het initiatief en stort zich in zijn zwaard.

Gide geeft aan de verhouding tussen Saul en David meer reliëf door Davids liefde voor Jonathan erbij te slepen, die volgens verschillende interpreten een homoseksueel karakter moet hebben gehad. Sauls liefde voor David, die gewekt is door diens citerspel (Rembrandt laat David op grond van de Statenvertaling overigens op een harp spelen), slaat om in haat wanneer David hem door diens overwinning op Goliath in populariteit overtreft.

Volgens Goedegebuure is het niet toevallig dat de bijbel vlak daarna de liefde die Jonathan voor David opvat, ter sprake brengt. Het echte motief voor Sauls haat jegens David zit hem daar nu juist in. Dit zou dan tevens verklaren waarom de narcistische woede veel verder gaat dan de niet ongebruikelijke paranoïdie en machtswellust van menig despoot. Hier is meer aan de hand, zegt Goedegebuure, namelijk pure minnenijd. Sauls afgunst, of liever gezegd jaloezie, richt zich op David en Jonathan samen. In zijn razernij probeert Saul David èn zijn zoon Jonathan met een speer te doden. Davids muziek zou, in de geest van Carl Gustav Jung, eerst Sauls verborgen vrouwelijke pool of anima hebben geraakt. Goedegebuure, die zelf een zwak heeft voor de persoon van Saul, denkt dat bij de koning sprake is van een fundamentele onzekerheid. Maar over Sauls duistere zijde valt meer te zeggen. Op basis van de ietwat omstreden ideeën van Melanie Klein (1882-1960) kan Sauls enorme destructiewoede inzichtelijker worden gemaakt.

Voor een goed begrip van de anatomie van 's konings ziel is Kleins indringende beschrijving van primitieve affecten zoals enerzijds afgunst en hebzucht, die zij in verband brengt met de moederborst, en anderzijds jaloezie belangrijk. Afgunst is volgens haar een haatgevoel dat op doodsdrift is gebaseerd en dat behoort tot de relatie tussen twee mensen. Begeerte of hebzucht slaat op het onbeperkt in bezit willen nemen van alles wat behoort tot het liefdesobject. Jaloezie daarentegen is niet zozeer in haat als wel in liefde voor het object geworteld die men door tussenkomst van een ander bang is kwijt te raken. Jaloezie treedt als regel op in een driehoeksrelatie.

Afgunst kan worden afgeweerd door bewondering, idealisering en devaluatie, zegt de Canadese hoogleraar in de toegepaste psychologie Otto Weininger in Melanie Klein. From Theory to Reality, maar ook door onverschilligheid, arrogantie en projectie van de eigen afgunst op anderen. Afgunst kan gepaard gaan met de neiging het zo bewonderde object te 'bederven', hetgeen soms leidt tot vernietigingsdrang. Wie het felbegeerde niet te pakken kan krijgen, maakt het nog liever kapot. Het is de afgunst die de Nederlandse psycho-analyticus J. A. Groen in Afgunst regeert de wereld (1986) beschreef. Een voorbeeld daarvan is te zien bij de hofcomponist Salieri in de film Amadeus van Milos Forman. Voor Salieri was de geniale Mozart wat David was voor Saul, zijn betere ik. Salieri bewondert Mozarts muziekkunst hartstochtelijk, maar wordt eveneens verteerd door een monsterlijke vernielzucht. Klein noemt dit 'spoiling' of 'destroying the good object'. Deze zelfverterende afgunst brengt Salieri, althans in de film, jaren na Mozarts dood uiteindelijk in het gekkenhuis.

De Schrift herschreven en Lotgevallen bieden stimulerende lectuur en vormen een mooie aanvulling op elkaar. Grappig is dat Smit en Stroeken, die beiden verbonden zijn aan de Katholieke Theologische Faculteit te Utrecht, bij voorkeur uit de Willebrordvertaling van de Katholieke Bijbelstichting citeren, terwijl Goedegebuure lustig put uit de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap, waarmee de schrijvers hun verschillende achtergrond verraden. Aardig is wat Goedegebuure schrijft over de manier waarop men in orthodox-calvinistische kring uit het Woord Gods voorlas, met slepende stem en op één toon tot halverwege de zin en vervolgens, uit het diepst van de keel, klagelijk omhoog.

Smit en Stroeken hebben oog voor het tijdstip waarop de verhalen niet alleen gebeurd, maar vooral ook opgetekend zijn. Zo is het boek Daniël dat de lotgevallen van het joodse volk in ballingschap in de zesde eeuw voor onze jaartelling onder de heerschappij van de megalomane koning Nebukadnesar weergeeft, in feite zeer waarschijnlijk pas in 165 vóór Christus geschreven. Zo bezien is het een verdekt protestverhaal tegen Antiochus Epiphanes IV uit Damascus die de joden omstreeks het midden van de tweede eeuw tot assimilatie dwong. Ruim vier eeuwen daarvoor weigerden Daniëls vrienden zich met gunstig gevolg voor Nebukadnesars gouden beeld te buigen. Ze overleefden de vuuroven. De koning wordt later krankzinnig, maar geneest als hij zijn onderdanen beveelt de God van Israel te aanbidden.

Anderzijds doet Goedegebuure soms voor een rasechte psychiater niet onder, bijvoorbeeld waar hij aan de hand van Doeschka Meijsings roman De beproeving in Jona's pruilerige doodswensen allerminst deemoed of een depressie, maar hoogmoed en dysforie ontwaart. Jona's woede over het feit dat de schaduwbrengende boom hem wordt afgepakt staat in schril contrast met de voorpret over de ondergang van Ninevé met 120.000 mensen.

Het best op dreef is het schrijversduo bij de schildering van de dromenduidende Jozef en Daniël, waarvan men zich hùn uitleg van Nebukadnesars droom over de boom die omgehakt wordt en van de dromen van de schenker en de bakker niet mag laten ontgaan. Hun interpretatie van de nachtmerrie-achtige grenservaring in Pniël waar Jacob worstelt met een man is een tikje speculatief maar zeer de moeite waard. Deze man zien zij als een 'verdichting', waarin Jacobs vader Isaäk, zijn broer Esau en God zelf samengesmolten zijn. Naar mijn idee hoort daar Jacobs angst voor zichzelf en zijn eigen agressieve impulsen nog bij.

Het incident bij de Jabbok laat bij Jacob zijn sporen na als aandoening van het heupgewricht. Maar heup is in de bijbel vaak een eufemisme voor penis, oppert het schrijversduo. Het klinkt psycho-analytisch en gezocht, maar toch is deze 'penisduiding' bij nader inzien niet vreemd. Een dure eed werd gezworen met de hand onder het geslacht van de ander, dit was de feitelijke betekenis van de uitdrukking 'de hand onder de heup leggen' (Gen. 24:2,9; 47:29). Eerder liet Jacob Esau de overdracht van diens eerstegeboorterecht met een eed bevestigen. Het is denkbaar dat Esau dit met het bovengenoemde gebaar heeft moeten bekrachtigen. Pniël zou daar dan de omkering, de afbetaling van zijn. Het is jammer dat de schrijvers juist op dit punt bij hun interpretatie de historische dimensie onbenut hebben gelaten. Het verhaal werd geschreven toen de joden in ballingschap waren en zich opmaakten voor de terugkeer naar Kanaän. Aldus bezien is het bedoeld om te illustreren dat Israel zijn plaats onder de broedervolkeren niet zomaar, zonder slag of stoot, opnieuw kon innemen. Pas ná de ontmoeting in Pniël mag Jacob (en in hem het joodse volk) Israel heten.

Niet minder speculatief is hun visie op Jefta, de man die door zijn honger naar macht een ogenschijnlijk krankzinnige gelofte doet. De bijbel kent grotere leiders die ondoordacht hun halve of hele koninkrijk weg willen geven, maar Jefta is een bijzonder geval. Deze zoon van een publieke vrouw en leider van een stelletje leeglopers eist als een geraffineerd onderhandelaar de heerschappij op over Gilead als hij de vijandige Ammonieten weet te verslaan. Hij doet bovendien de gelofte na zijn zege aan de Allerhoogste het eerste dat hem uit de deur van zijn huis tegemoet komt als brandoffer te schenken. Het blijkt zijn enige dochter te zijn.

De schrijvers van Lotgevallen vermoeden achter Jefta's gelofte een duister motief. Jefta moet van tevoren geweten hebben dat hij het leven van zijn dochter op het spel heeft gezet. Met groot misbaar laat hij de omstanders zien hoe diep ongelukkig zijn dochter hem (!) heeft gemaakt doordat zij aan het hoofd der dansende vrouwen hem als eerste heeft begroet. Pathetisch zegt hij: “Ik heb tegenover de Here een woord gesproken en kan niet meer terug” (Richteren 11:35). De auteurs geloven daar weinig van. De gewiekste onderhandelaar Jefta had, als hij maar had gewild, van zijn gelofte afgekund met een beroep op de bepaling dat men een gelofte, die ondoordacht was gedaan of mensenlevens in gevaar bracht, niet gestand hoefde te doen. Maar dat deed hij dus niet. De Midrasj, een joods bijbelcommentaar, veroordeelt Jefta hierom. Hybris maakte dat Jefta, die zichzelf als 'leider van Israels leiders' zag, de hogepriester Pinehas (en God) geen gunst wilde vragen. En Pinehas op zijn beurt stak geen poot uit. Tenslotte had Jefta hèm nodig. Ondertussen sterft Jefta's dochter als maagd.

Volgens de schrijvers gunde Jefta zijn dochter geen eigen leven los van hem. Misschien omdat hij vreesde dat zij net als zijn moeder een lichtekooi zou worden. De analyticus R. Seidenberg beweert dat Jefta een problematische verhouding met diens moeder moet hebben gehad, “de eerste persoon die men in het leven tegenkomt”. Jefta's gelofte zou dan berusten op de vroege ambivalente gevoelens jegens de voedende (en depriverende) moeder. Helaas gaat dit exposé vanaf dit punt als de bekende nachtskaars uit. Dat Jefta doortrapt was, lag dat eigenlijk wel aan zijn moeder? Want wat de auteurs door hun modern uitziende analytische bril veronachtzamen, is dat Jefta zijn vader vermoedelijk niet eens heeft gekend.

Jefta is in de bijbel niet de enige vader die een probleem met zijn dochter heeft. In het apocriefe bijbelboek Tobit vormen vader Raguel en dochter Sara, die door een demon gedreven, al zeven mannen in de huwelijksnacht heeft gewurgd, een vergelijkbaar paar. Volgens een wel erg vèrgaande interpretatie zou Jaïrus zelf de dood van zijn twaalfjarige dochter op zijn geweten hebben. Hij zou haar door zijn liefde hebben verstikt. Soms lijkt het alleen in de bijbel wreed toe te gaan, maar ook de Griekse legeraanvoerder Agamemnon offert zijn dochter Iphigeneia, voor een beetje wind.

In de ogen van sommigen is de bijbel op zijn best een antieke variant van de soap-serie 'Onderweg naar morgen'. Door lezing van Lotgevallen en De Schrift herschreven wordt eens te meer duidelijk dat ontrafeling van psychologische complexen en hartstochten in het oude boek soms tot verrassende inzichten leidt die geenszins alleen maar antiek hoeven te zijn.