Erkenning voor het Limburgs verzet

A.P.M. Cammaert: Het verborgen front, geschiedenis van de georganiseerde illegaliteit in de provincie Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog Twee delen, 1262 blz., Eisma 1994, ƒ 95,-

De sociaal-democraat en latere minister van binnenlandse zaken J.A. Burger heeft niet geweten wat hij teweeg zou brengen, toen hij in mei 1943 in Londen verslag uitbracht over het verzet in Nederland en op een vraag van koningin Wilhemina moet hebben geantwoord: “Van verzet in het Zuiden, majesteit, is me niets bekend” of woorden van gelijke strekking. Toen dr. L. de Jong bovendien in zijn werk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog gewag maakte van de scriptie van de socioloog L. Lamers dat het verzet in Limburg niet zo erg veel zou hebben voorgesteld, kwam de trap tegen het zere been van veel Limburgse verzetsmensen nog ééns zo hard aan.

Een aantal hunner, onder wie de vooraanstaande Heerlense oud-verzetsman W. Quint, de latere burgemeester van Brunssum, meldde zich diep gekwetst bij het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg in Maastricht met de eis dat tegen dat vooroordeel nu eindelijk eens iets werd ondernomen. Anderen klommen in de pen, zoals de Jabeekse journalist Jan van Lieshout die in twee omvangrijke boeken (Het Hannibalspiel en De aal van Oranje) facetten van het Limburgse verzet belichtte. De Maastrichtse schrijfster Rosalie Sprooten ontzenuwde de veronderstelde labbekakkerigheid van de Limburgers tijdens de Tweede Wereldoorlog in haar boek Bericht aan hare majesteit door het verzet in en rond haar geboorteplaats Epen in het zuidelijk heuvelland te beschrijven.

Maar omdat het hier ging om twee goedwillende amateur-historici, moest nu maar eens wetenschappelijk geschut in stelling worden gebracht; de geschiedenis zou allesomvattend en niet partieel uit de doeken moeten worden gedaan. Die klus heeft de 38-jarige uit Roermond afkomstige historicus dr. A.P.M. (Fred) Cammaert nu geklaard met - zoals best mag worden gesteld - een grote wetenschappelijke verbetenheid. In Het verborgen front wijdt hij in twee delen van tezamen bijna 1300 bladzijden aandacht aan het Limburgse verzet. Op dat onderwerp promoveerde hij vorige week bovendien aan de universiteit van Groningen.

Cammaerts voornaamste conclusies zijn dat de Limburgse rooms-katholieke geestelijkheid een prominente rol heeft gespeeld in de illegaliteit en dat het verzetswerk “weinig spectaculair” was, omdat men meer baat meende te hebben bij rust en orde dan bij opzienbarende acties als overvallen, liquidaties van verraders, sabotage of bevrijdingsacties. Limburg telde dan ook relatief gezien weinig knokploegen; eind 1943 waren het er slechts vier.

Hoog peil

Het Limburgse verzet werd volgens Cammaert, aan het eind van zijn boek, vooral gekenmerkt door een “geweldloos humanitair, a-politiek karakter met de daarbij passende werkwijzen en verbindingen. Het was laag gestructureerd met een kwalitatief hoog peil”. Daarin lag volgens hem “zowel de intrinsieke kracht als de specifieke waarde van de Limburgse illegaliteit”.

De netwerken waarvan de illegaliteit gebruik maakte, kwamen veelal voort uit de kerkelijk-maatschappelijke organisaties van het Limburg van die dagen dat overwegend rooms-katholiek was. Dat de geestelijkheid er in eerste instantie bij betrokken raakte, kwam doordat uit Duitsland gevluchte Franse en Belgische krijgsgevangenen zich bij de aankomst in stad of dorp doorgaans oriënteerden op de kerktorens. De hulp aan deze vluchtelingen was de eerste stap in de verdere ontwikkeling van de hulpverlening; later volgden de onderduikers, de joden, de Engelandvaarders en de geallieerde vliegeniers die veelal via hetzelfde netwerk - door Cammaert vergeleken met een bloedvatenstelsel - werden geholpen.

Belangrijker nog dan de kerktorens als oriëntatiepunt was in de houding van geestelijkheid en leken het feit dat de toenmalige bisschop van Roermond mgr. J.H.G. Lemmens ook al voor de oorlog - en dit in navolging van aartsbisschop mgr. dr. J. De Jong van Utrecht - de Limburgse katholieken bezworen had zich verre te houden van het nationaal-socialisme, waarbij overigens in één adem het socialisme en communisme werden genoemd. En bisschops woord was in die dagen voor de meeste Limburgers nog wet; daaraan ontleende een aantal hunner de moed en de legitimiteit om de verdrukker te lijf te gaan. Bisschoppelijk secretaris J.L. Moonen was dan ook een van de leidende figuren van de illegaliteit. Hij vond de dood in een concentratiekamp. Hij moet, hoewel de katholieke kerk dat in principe veroordeelde, ook geweten hebben van liquidaties van verraders.

Tegengif

Cammaert kwam met het onderwerp in aanraking toen hem aan de universiteit van Groningen werd gevraagd aandacht te besteden aan de vele duizenden evacués die uit Noord- en Midden-Limburg tijdens de laatste maanden van de oorlog - Zuid-Limburg was al bevrijd - in het noorden des lands terecht waren gekomen. Toen in die dagen bovendien bleek dat bij het Sociaal Historisch Centrum toenemende behoefte bestond de Limburgse oorlogsgeschiedenis in kaart te brengen als tegengif tegen veronderstelde afzijdigheid, waren de verbindingen vlug gelegd. Tien jaar lang studeerde en interviewde Cammaert op en over het onderwerp en las er vele honderden Nederlandse en buitenlandse boeken over. Het Sociaal Historisch Centrum (SHC) in Maastricht zorgde er via sponsors voor dat het geld er kwam: 650.000 gulden. De onafhankelijkheid van het onderzoek werd, meent directeur prof.dr. J.C.G.M. Jansen van het SHC, gewaarborgd omdat de supervisie ervan bij de Groningse universiteit lag, met name bij prof.dr. M.G. Buist.

Jansen is allerminst teleurgesteld over de revenuen van Cammaerts inspanningen. “Niet dat de geestelijkheid zo'n belangrijke rol speelde was voor mij verrassend, want dat is in de litteratuur al eerder aangegeven. Wèl dat Cammaert met een overvloed aan cijfers en feiten overtuigend bewijst dat Limburg met 2.200 verzetsmensen op het geschatte landelijk totaal van 20.000 beslist niet was ondervertegenwoordigd. Veel ambtenaren in gemeentehuizen deden er aan mee, zodat het in Limburg ook niet zo vaak kwam tot overvallen om persoonsbewijzen of bonnen te vergaren. Arrestaties door de Sicherheits Polizei konden worden voorkomen doordat bij de Stroomverkoopmaatschappij in Maastricht (tegenwoordig de PLEM, red.) de telefoon van de Sipo werd afgetapt en men haar vaak een stap voor was.” Volgens Jansen, die aan de universiteit van Maastricht Geschiedenis van de samenleving doceert, blijkt uit de 1.500 voorinschrijvingen van de totale oplage van 5.000 stuks, dat “het boek in Limburg nogal wat oproept”.

Het boek van Cammaert mag gerust hèt Limburgse standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog worden genoemd. Het is een uitvergroting op provinciale schaal van dr. De Jongs werk. Maar tegelijkertijd wordt ingezoomd op zéér plaatselijke verzetsdaden. Het lijkt erop dat hij met het beschrijven van de diverse verzetsgroepen niets aan het toeval heeft willen overlaten en in ieder geval niet het verwijt op zich heeft willen laden iets of iemand te vergeten. Want, zo stelt hij zelf ook vast, de gevoeligheden zijn groot; men voelt zich al vlug tekortgedaan. Het aantal verraders speelt in Cammaerts boek ten opzichte van het aantal verzetsmensen een ondergeschikte rol.

Het staat letterlijk stijf van persoonsnamen (in het register zijn er 3.000 opgenomen, bijna allemaal verzetsdeelnemers) en van gebeurtenissen waarbij bij wijze van spreken geen enkele Limburgse straat, waar iets van betekenis gebeurde, is overgeslagen. Door al die informatie, die bovendien nauwelijks wordt verluchtigd door illustraties, raakt men de rode draad gemakkelijk kwijt. Een geluk is dat Cammaert de pen vlot en helder weet te voeren. Hij plaatst de gebeurtenissen in Limburg steeds tegen de achtergrond van wat er op nationaal en internationaal gebied aan de hand was. Voor Limburgers in het algemeen en de Limburgse verzetsmensen in het bijzonder moet het voldoening schenken dat de door Cammaert onderzochte feiten en bronnen vanzelfsprekend leiden tot de vurig gehoopte rehabilitatie.

Rehabilitatie

De auteur noemt een aantal van 2.200 verzetsmensen die om en nabij de 14.000 onderduikers, 3.000 joden, 2.000 krijgsgevangenen en 350 geallieerde vliegeniers hebben geholpen. Daarbij tekent hij aan dat Limburg ook voor de andere Nederlandse verzetsorganisaties belangrijk was omdat ze voor de afvoer van hun vluchtelingen geheel of gedeeltelijk waren aangewezen op de Limburgse netwerken wegens de ligging van de provincie dichtbij de grenzen naar het Zuiden. Dat waren relaties die aansloten op Belgische, Franse en zelfs Duitse netwerken.

De autonome illegale pers heeft in Limburg geen belangrijke rol gespeeld. Er werden slechts tussen de 30 en 40 illegale blaadjes uitgegeven. Vermoedelijk komt dit volgens Cammaert doordat de landelijk uitgegeven verzetsbladen vooral sinds 1942 ook steeds meer doordrongen in Limburg. Het communistische verzet speelde binnen de Limburgse illegaliteit evenals de Raad van Verzet en de inlichtingendiensten een bescheiden rol. In de Mijnstreek evenwel roerden de communisten zich wèl nadrukkelijk.

Als een van de oorzaken van “de hardnekkige mythe” dat het Limburgse verzet niet erg veel voorstelde, noemt Cammaert het feit dat het zijn zaak in Londen slecht of zelfs helemaal niet “verkocht”. Daardoor ontbrak het de daar zetelende Nederlandse regering aan essentiële informatie. “Deze nalatigheid kan tot op zekere hoogte worden verklaard uit het feit dat men er zonder hulp van buitenaf in was geslaagd een doelmatige en omvangrijke verzetsstructuur in het leven te roepen. Mogelijk speelden daarbij”, aldus Cammaert, “oudere Limburgse sentimenten een rol. Een gevoel van anders of apart zijn was de Limburgers niet vreemd”. In dit verband moet worden opgemerkt dat het Limburgse verzet zich pas in 1943 aansloot bij de LO, de landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers.

Toen uiteindelijk in 1944 pater L.A. Bleijs (De aal van Oranje) het lukte om via de Zwitserse weg in Londen te geraken om daar verslag uit Limburg te doen, was het vooroordeel al zover doorgewoekerd dat het niet meer was te corrigeren. “Het eenmaal gevestigde foutieve beeld zou”, aldus Cammaert, “nog herhaaldelijk worden aangehaald om de houding van het katholieke volksdeel in de oorlog te bagatelliseren of zelfs in diskrediet te brengen”.