Economische band Israel, Palestijnse autonomie geregeld

TEL AVIV, 2 MEI. De Israelische regering heeft gisteren besloten de afgrendeling van de bezette gebieden om veiligheidsredenen voort te zetten.

Dit besluit is niet in strijd met de letter van het economische akkoord dat Israel en de PLO vrijdag in Parijs hebben getekend. Onmiddellijk na de plechtige tekening, woensdag in Kairo, van de detail-overeenkomst over beperkt Palestijns zelfbestuur in de Gazastrook en het district Jericho zullen de economische relaties tussen Israel en de Palestijnse autonomie op een volkomen nieuwe basis worden geschoeid. In het economische akkoord is duidelijk gesteld dat de partijen zich het recht voorbehouden het vrije verkeer van arbeid te reguleren.

De PLO heeft van Israels afgrendelingspolitiek ondanks de ernstige economische weerslag op de autonomie-gebieden, als gevolg van de daardoor scherp opgelopen Palestijnse werkloosheid, in de onderhandelingen over het economische akkoord geen halszaak gemaakt. Is dat een indicatie dat de PLO het economische akkoord met Israel zal hanteren om de Palestijnse economie van Israel te scheiden, als voorbode van Palestijnse onafhankelijkheid? Of heeft de Israelische minister van financiën, Avraham Shohat, het aan het juiste eind dat dit akkoord juist tot verstrengeling van de Israelische en Palestijnse economieën zal leiden en daardoor ook tot Israels economische integratie in het Midden-Oosten?

Het door minister Shohat en PLO-onderhandelaar dr. Ahmed Kouri (Abu Ala) getekende economische akkoord zal zich volgens de tekst tezijnertijd ook uitstrekken tot de hele Westelijke Jordaanoever als daar de politieke autonomie eveneens van kracht wordt. Een van de Israelische onderhandelaars die een half jaar bij het moeizame overleg met de PLO over het economische akkoord betrokken is geweest verklaarde tegenover de krant Ha'arets “dat wij de eerste tekenen zien van een Palestijnse staat”.

Op een eigen Palestijnse munteenheid na - daarover zal volgens het akkoord in een latere fase worden onderhandeld - verkrijgen de Palestijnen een grote mate van economische vrijheid in de autonomiegebieden. De Palestijnen krijgen een eigen monetaire autoriteit, die zelfs zonder dat de autonomie over een eigen geldeenheid beschikt als een centrale bank zal fungeren en onder andere vreemde valuta zal beheren. Zij mogen eigen banken stichten, belasting innen, obligaties en aandelen uitgeven - de kiem van een Palestijnse beurs - en hebben het recht verworven tot import en export. De kwantiteit van de import van reeksen artikelen zal in overleg met Israel worden bepaald en zal uitsluitend moeten voldoen aan de Palestijnse behoeften. Jordanië, Egypte en andere niet nader aangegeven islamitische landen worden in de tekst van het verdrag genoemd als landen waaruit de Palestijnse autonomie kan importeren. Voor een beperkt aantal artikelen, die voor de opbouw van de Palestijnse economie van belang zijn, heeft de Palestijnse autonomie het recht invoerrechten te verlagen. Dat is een uitzondering op de regel van het gezamenlijke buitentarief dat voor Israel en de Palestijnse autonomie zal gelden. Israel heeft daarop gestaan om te voorkomen dat de Israelische markt via de Palestijnse autonomie zal worden overstroomd met door de Palestijnen geïmporteerde goedkope goederen. Dat zou mogelijk zijn omdat er tussen de Israelische en Palestijnse economieën geen tolmuren zijn.

De door de Palestijnse autonomie te heffen BTW zal echter wel een à twee procent lager zijn dan het Israelische BTW-tarief van 17 procent, wat de concurrentiepositie van een aantal Palestijnse produkten op de Israelische markt versterkt. Volgens de tekst van het economische akkoord is er volledige vrijheid van verkeer van industriële produkten tussen beide economieën. Daarbij is ter bescherming van de op te bouwen Palestijnse industriële infrastructuur in de tekst van het akkoord de bepaling opgenomen dat “iedere partij zich zal inspannen het berokkenen van industriële schade aan de andere partij te voorkomen”.

Het principe van vrij handelsverkeer geldt ook voor landbouwprodukten. Israel heeft echter tot 1998 het recht verworven de afzet van een aantal Palestijnse produkten, eieren, kippen, aardappelen, komkommers enz., ter bescherming van de Israelische landbouw te verbieden. Niettemin zeggen Israelische boerenorganisaties dat het economische akkoord funest zal zijn voor een aantal sectoren in de Israelische landbouw die niet kunnen wedijveren met goedkope Palestijnse arbeid.

De Palestijnse autonomie is autonoom in de invoer van olie en benzine. In het economische akkoord, dat 60 pagina's beslaat, is echter wel bepaald dat benzine in de autonomie maximaal 15 procent goedkoper mag zijn dan in Israel. De 'Palestijnse benzine' zal een kleur moeten hebben die duidelijk afwijkt van de in Israel gangbare kleur. Deze maatregel is bedoeld om zwendel op grote schaal met benzine te verhinderen.

Het in Parijs getekende akkoord omvat alle aspecten van economische samenwerking en interactie tussen Israel en de Palestijnse autonomie en regelt tevens belangrijke aspecten van de relaties van de autonomie met Jordanië in het algemeen en de Arabische wereld in het bijzonder. In geval van meningsverschillen zullen de in het principe-akkoord van september neergelegde beginselen prevaleren.