Zie de Belgen stemmen

Marc Swyndegouw, Jaak Billiet, Ann Carton en Roeland Beerten, redactie: Kiezen is verliezen. Onderzoek naar de politieke opvattingen van Vlamingen 255 blz., Acco 1993, ƒ 47,50

Kris Deschouwer: Organiseren of bewegen. De evolutie van de Belgische partijstructuren sinds 1960 174 blz., VUB Press 1993, ƒ 21,90

Niets heeft de naoorlogse Belgische politieke elite meer geschokt dan de uitslag van de parlementsverkiezingen van november 1991. De doorbraak van extreem-rechts in Vlaanderen (Vlaams Blok, 10.4 procent), het opvallende resultaat van de libertaire groepering Rossem (5.2 procent) en het feit dat federaal bekeken meer dan 982.000 (13.7 procent) kiezers hadden verzaakt om (geldig) te stemmen, verraadden een regelrechte revolte tegen de traditionele politieke partijen. In november 1991 waren de drie grote traditionele partijen - de Christelijke Volkspartij (CVP), de Socialistische Partij (SP) en de liberale Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV) - samen goed voor 65.3 procent van de stemmen, dat wil zeggen een verlies van meer dan tien procent in vergelijking met 1987 en van bijna vijftien procent in vergelijking met 1974. Door het hoge aantal proteststemmen leek de electorale stabiliteit van België definitief verbroken.

Aan verklaringen voor de verkiezingsuitslag van 24 november 1991 heeft het niet ontbroken. De liberale partij schreef de aardverschuiving toe aan de 'kloof tussen burger en politiek' en aan de afwezigheid van eigentijdse vormen van democratische raadpleging van de burger. De PVV, reeds anderhalf jaar zeer succesvol in de peilingen met ongeveer 30 procent, transformeerde zich in de VLD, de Vlaamse Liberalen en Democraten. De 'partij van de burger' wekte via een vlekkeloze mediaregie de indruk radicaal gemoderniseerd te zijn, hoewel de organisatiestructuren van de oude PVV grotendeels behouden bleven. Christen-democraten en de socialisten hekelden dan weer de anti-politieke en populistische accenten in het liberale discours en wezen erop dat niet de liberalen maar extreem-rechts en het libertaire Rossem van die 'nestbevuiling' hadden geprofiteerd. Ook zij erkenden echter dat tussen partij, kiezer en overheid andere banden moesten worden gesmeed.

Christen-democraten en socialisten reageerden aanvankelijk beleidsmatig. In het programma van de federale regering werd het zogenoemde 'contract met de burger' opgenomen, dat wil zeggen een serie maatregelen betreffende veiligheid op straat, beteugeling van de criminaliteit, sociaal beleid en een efficiënte overheidsadministratie. Vervolgens lanceerden CVP en SP initiatieven om hun functioneringswijze te verbeteren en hun structuren dynamischer te maken. Veel beterschap in de peilingen vloeide daar voor christen-democraten en socialisten vooralsnog niet uit voort.

In de Vlaamse boekhandel liggen thans twee studies die een diepere verklaring trachten te geven voor de blijvende onaantrekkelijkheid van de traditionele partijen, te weten Kiezen is verliezen, van een groep Belgische politicologen rond het Interuniversitair Steunpunt Politiek Opinieonderzoek (IPSO), en Organiseren of bewegen, van Kris Deschouwer, hoogleraar politicologie aan de Vrije Universiteit Brussel. In beide gevallen gaat het om wetenschappelijke werken waarvan de onderzoeksresultaten en analyses ook in Nederland verdienen gesignaleerd te worden.

Terugval

De meest prikkelende bevindingen ten aanzien van 24 november 1991 vindt men in Kiezen is verliezen. Daarin peilen diverse auteurs op grond van dezelfde enquête naar mogelijke verbanden tussen stemgedrag en kerkelijke betrokkenheid, lidmaatschap van verenigingen, onderwijsniveau, beroepsprestige, inkomen, leeftijd, gevoelens van politieke machteloosheid, autoritarisme, individualisme en geslacht. Het boek van Deschouwer is meer didactisch van opzet. Het schetst het historische kader van het Belgische partijenmozaïek in België en legt de principes en de mechanismen van de Belgische 'pacificatie-democratie' bloot. In beide boeken maakt de lezer kennis met de specifieke kenmerken van de Belgische politieke partijen en de complexe realiteiten waarmee de Belgische kiezer heeft leren leven.

De eerste belangrijke vaststelling is, dat er op 24 november 1991 geen sprake was van een toevallige verstoring van de electorale stabiliteit. Integendeel, het ging om een nieuwe stap voorwaarts in een richting die het Belgische politiek-electorale bestel al eerder was ingeslagen. Grote groepen proteststemmers vormen namelijk geen nieuwigheid in het naoorlogse België. Er loopt een lijn van proteststemmen van 1965 naar 1991. Reeds bij de parlementsverkiezingen van 1965 noteerde men een gevoelige stijging van het aantal blanco en ongeldige stemmen en een dramatische terugval van het aantal christen-democratische en socialistische kiezers. Van dat stemmenverlies profiteerde de liberale partij (PVV), die haar stemmenaantal verdubbelde, èn een aantal regionalistische partijen zoals de Vlaamsnationale Volksunie, het Brusselse Front Démocratique des Francophones, en het Rassemblement Wallon. Die drie partijen waren in 1971 samen goed voor bijna een kwart van de stemmen.

Politicologen stelden toen reeds het bestaan vast van een vlottende groep kiezers, in de orde van twintig à dertig procent van het kiezerscorps, dat zich afkeerde van de traditionele partijen. Daar hoorden ook verklaringen bij. De socialistische partij werd, volgens Marcel Grégoire in 1965, 'het slachtoffer van de stijgende levensstandaard en van haar eigen succes'. De liberale partij, historisch een unitair geïnspireerde establishmentpartij, profiteerde van de omvorming van de uitgesproken anti-clericale Liberale Partij naar de levensbeschouwelijk neutrale PVV. De PVV verscheen daardoor als een begeerlijke maagd in de ogen van de kiezer. De opkomst en het succes van regionalistische (of taal)partijen weerspiegelde dan weer de onvrede met de gebrekkige 'Belgische' besluitvorming en de groeiende behoefte om in een goed ingerichte federale staat te leven. De facto vingen de taalpartijen echter ook de eerste grote groep proteststemmen op tegen het traditionele politieke bedrijf, de bevoogding, de verzuiling én de bijbehorende machtsgroepen en machtsstructuren. De taalpartijen 'incasseerden' de vraag naar politieke vernieuwing die bij de eerste welvarende en goed opgeleide naoorlogse generatie was gerijpt.

Ontzuiling

Het zou verkeerd zijn die grote groep protestkiezers als een stabiele groep te beschouwen. Vanaf het einde van de jaren zeventig en naarmate de traditionele partijen de federalisering van de Belgische staat gingen regelen, verloren de taalpartijen en keerde een aantal kiezers terug naar de traditionele partijen. Hun rol als uitdager van het politieke establishment werd overgenomen door de groene partijen, die naar functioneringswijze en waardenoriëntatie een veel duidelijker breuk belichaamden met de traditionele politiek.

Hierbij kan men opmerken dat in België het protest tegen de traditionele politiek altijd luider heeft geklonken dan in Nederland. De vaststelling lijkt op het eerste gezicht niet correct, aangezien Nederland een waslijst van partijen kent die na 1960 werden opgericht en die zich tegen de traditionele politiek keerden. Met de cijfers in de hand stelt een aantal Brusselse professoren echter vast, dat het aantal stemmen dat werd uitgebracht op partijen die na 1960 werden opgericht systematisch hoger ligt in België dan in Nederland. Ongetwijfeld heeft dat te maken met de Vlaams-Waalse tegenstellingen, maar wellicht nog meer met de Belgische 'pacificatie-democratie', de sterk ontwikkelde informele consensusvorming onder partij-elites en het feit dat de ontzuiling in België later inzette en trager voortschreed dan in Nederland. Traditionele partijen konden in België opvallend minder flexibel omgaan met belangrijke maatschappelijke veranderingen zoals ontkerkelijking, ontzuiling, het stijgende onderwijsniveau en vergrijzing. Een verschijnsel als Nieuw Links en de manier waarop die beweging in de rangen van de Partij van de Arbeid werd opgenomen, heeft de unitaire Belgische Socialistische Partij (BSP) zaliger nooit gekend.

Het onderzoek naar de groeiende groep vlottende kiezers levert een paar boeiende vaststellingen op. Zo leert men dat winst of verlies bij verkiezingen in toenemende mate door die groep wordt bepaald, zonder dat daarbij altijd een verband bestaat met de graad van geïnformeerdheid van die kiezers. Groen-stemmers kiezen wellicht meer beredeneerd en met meer kennis van zaken; veel Vlaams-Blokstemmers daarentegen beschikken over weinig politieke kennis en laten hun stem vaak afhangen van slogans van politieke avonturiers. Leeftijd en geloof, eerder dan geïnformeerdheid, lijken belangrijke determinanten voor het kiesgedrag te zijn.

Een tweede boeiende vaststelling is dat de kans op een proteststem bij vrijzinnigen, ongelovigen of 'levensbeschouwelijk onverschilligen' dubbel zo groot is als bij katholieken. De onderzoekers ontdekten 'een grote affiniteit tussen de proteststemmen en niet-katholiek Vlaanderen.' Of anders nog: het Vlaams Blok oefende op 24 november 1991 een veel grotere aantrekkingskracht uit op de zich progressief wanende bevolking. Indien de katholieken in Vlaanderen zouden hebben gestemd zoals de vrijzinnigen, dan zou het Vlaams Blok 14 procent van de stemmen hebben behaald in plaats van 10,4 procent. Waardoor het Blok de derde partij in Vlaanderen zou zijn geworden.

Ontvoogding

Aan die tweede vaststelling werden nogal wat controversiële gevolgtrekkingen vastgeknoopt. Zo leerden de Vlaamse socialisten, die behoorlijk veel laaggeschoolde kiezers aan het Vlaams Blok verloren, dat hun 'trouwste kiezers katholieken waren'. Niet meteen een opwekkende vaststelling voor een partij met een 'anti-katholieke' achtergrond. Geschokte vrijzinnigen trachtten dan weer te achterhalen hoe levensbeschouwelijke onverschilligheid (en vrijzinnigheid) konden uitmonden in een zo bedenkelijke partijkeuze als het Vlaams Blok en de electorale afkalving van de Vlaamse socialisten.

Een verklaring daarvoor werd hen in Kiezen is verliezen aangereikt door de professoren Elchardus, Deschouwer, Pelleriaux en Stouthuysen (allen werkzaam aan de Vrije Universiteit Brussel). Zij ligt besloten in de zogenaamde 'populistische ontvoogding'. Deze vorm van ontvoogding is niet langer verbonden met een of andere heilsleer maar wordt gekenmerkt door een extreem subjectivisme, een houding waarbij men wars van waarden en ethische voorschriften zijn eigen impulsen volgt. De 'culturele flexibiliteit' waarvan mensen met een vaste levensbeschouwelijke overtuiging en leden van (kerkelijke) verenigingen minder last lijken te hebben, zou zich vooral uiten in vormen van extreem bezitsindividualisme, het prefereren van korte-termijnperspectieven en het trivialiseren van engagementen.

Genoemde professoren poneren niet dat vrijzinnigheid a priori leidt tot 'culturele flexibiliteit' en 'populistische ontvoogding'. Wel registreren zij de gevolgen van een 'negatief vrijheidsconcept', een verregaande norm- en limietenloosheid, die soms als een vrijbrief fungeert voor a-moreel stemgedrag.

Een hoge graad van levensbeschouwelijke onverschilligheid en een lage graad van sociale participatie leidt nogal gemakkelijk, zo menen de auteurs, naar een veralgemeend institutionalisme, een afkeer van instellingen, regelgeving en procedures. Het zou kunnen dat die houding ongelovigen vatbaarder maakt voor nationaal-populistische praatjes en voor de 'eigen volk eerst'-filosofie van het Vlaams Blok. Ook de Liberale VLD zou van deze 'culturele flexibiliteit' profiteren. Hoewel die partij allerminst van racisme kan worden verdacht, zou het extreme individualisme dat door de VLD wordt gepredikt, door nogal wat kiezers 'verkeerd worden geïnterpreteerd'.

Samengevat: Kiezen is verliezen en Organiseren of bewegen zijn boeken die om meer dan één reden door een publiek van Nederlandse politicologen en sociologen moeten worden gelezen. Wellicht en vooral ook na 3 mei.

    • Jan Vermeersch