Wereld-armoede eist andere norm

De discussie over de afbraak van de Nederlandse verzorgingsstaat is in het licht van de armoede elders wereldvreemd. Voor ontwikkelingshulp moet daarom een andere maatstaf komen, vinden Piet Terhal en Jan Tinbergen.

In het zicht van de verkiezingen worden vele voorstellen gedaan over de toekomst van onze verzorgingsstaat. Terwijl de discussie over de verdeling van onze welvaart levendig wordt gevoerd, verstomt het politieke debat over de mondiale welvaartsverdeling, en dat terwijl er een nauwe samenhang tussen beide bestaat. Nederland kan zich niet als een welvaartseiland isoleren. Dat blijkt uit de migratiedruk op onze buitengrenzen en de grote openheid van onze economie.

Als regeren vooruitzien is, wat moet dan in het zicht van de verkiezingen het doel op lange termijn zijn, waaraan partijprogramma's op dit punt moeten worden getoetst? Zijn er lessen te trekken uit onze eigen nationale ervaringen?

Een nationale samenleving als de Nederlandse kan min of meer vreedzaam functioneren om twee samenhangende redenen: er is een democratisch gecontroleerd rechtsstelsel, en de primaire inkomensverdeling, zoals die vooral via de markt tot stand komt, wordt van overheidswege aanzienlijk omgebogen tot een meer rechtvaardige en bevredigende secundaire verdeling.

De sociale kwaliteit van onze samenleving is in het geding als aan deze twee beginselen wordt getornd. Niet de beginselen zelf, maar de precieze, bij-de-tijdse, invulling ervan staan thans in het nationale debat ter discussie.

Wat is de internationale situatie? Van een werkelijke wereldrechtsorde is geen sprake. De primaire internationale inkomensverdeling, door de markt te weeg gebracht, wordt eerder in zijn scheefheid door nationale publieke autoriteiten bevestigd en versterkt, dan bijgesteld en omgebogen. Als men gemiddelde inkomensniveaus van landen in de wereld vergelijkt - dus even met verwaarlozing van binnenlandse ongelijkheid - dan blijkt de inkomensongelijkheid in de wereld zeer aanzienlijk te zijn toegenomen: de rijkste 20 procent kon in 1960 beschikken over 11 maal zoveel als de armste 20 procent, maar in 1989 was dat opgelopen tot een factor 17. Als men daarbij voegt de toegenomen binnenlandse ongelijkheid, dan klemt de vraag des te meer waar het huidige internationale economische systeem ons naar toe gaat brengen. Armoede ontneemt nog altijd honderden miljoenen mensen levenskansen, zelfs in de meest letterlijke zin. Deze dramatische situatie is onduldbaar, gezien de materiële middelen en de technische kennis, waarover wij beschikken.

Velen hebben hun hoop gevestigd op de verdere vrijmaking van de wereldhandel. Maar het zou onrealistisch zijn om de oplossing van het wereldarmoede-vraagstuk alleen van de markt te verwachten. Dat klopt niet met wat we thans in de armste landen, bijvoorbeeld in Afrika zien gebeuren, het klopt ook niet met wat we in ons eigen land geleerd hebben. Een goede marktwerking bevordert economische groei, maar om tot een menswaardige en houdbare samenleving te komen moeten de vruchten hiervan ingrijpend herverdeeld worden. Mondiaal, en vertaald in de huidige terminologie, betekent dat een zeer aanzienlijke toename op niet-vrijblijvende basis van de concessionele middelenstroom van rijk naar arm.

Tegen deze achtergrond moet het tweevoudige politieke dilemma gezien worden, waarin de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking zich bevindt. Enerzijds is er de vraag naar het politieke gewicht: moet de invloed van de minister op andere beleidsterreinen groter worden, of moet deze invloed juist worden teruggebracht? Anderzijds is er de kwestie van de hoogte en de norm van de begroting.

In beide opzichten is versterking van de ontwikkelingssamenwerking geboden. Waarom?

In de internationale belangenstrijd delven de zwaksten het onderspit. Beleid gericht op de bevordering van een bindende internationale rechtsorde dient daarom bijzonder oog te hebben voor juist de zwaksten in de wereldsamenleving. Ontwikkelingssamenwerking is van ouds het ministerie, waar in beginsel de Nederlandse belangenbehartiging ondergeschikt is aan het belang van armoede-bestrijding en economische verzelfstandiging van ontwikkelingslanden. Wat ligt er dan meer voor de hand dan aan dit ministerie een sterke positie te geven in een geïntegreerd beleid gericht op een betere wereldrechtsorde? Dat de huidige minister die kant op wil is duidelijk uit zijn recente nota 'Een wereld in geschil'. Het is echter zaak om heel precies te zijn over de specifieke plaats van ontwikkelings-samenwerking in een wereldrechtsorde. Directe en structurele armoedebestrijding is hoofdzaak. Een betere mondiale welvaartsverdeling helpt bovendien gewelddadige conflicten voorkomen. In ieder geval zet vervanging van de minister door een staatssecretaris, zoals door sommigen voorgesteld, de klok 30 jaar terug (In 1965 werd terecht het toenmalige staatssecretariaat vervangen door een ministerspost).

Van de begroting van Ontwikkelingssamenwerking is de laatste jaren steeds meer weggehaald voor de financiering van andere internationale 'solidariteitstaken': hulp aan Oost-Europa, vredesoperaties, internationaal milieubeleid, opvang vluchtelingen en asielzoekers. Het in 1973 genomen besluit om de OS-begroting te stellen op 1,5 procent van het netto nationaal inkomen is daarbij op de tocht komen te staan. Dit is een slechte zaak. Eveline Herfkens, Nederlands bewindvoerder bij de Wereldbank zegt daarover tijdens de belangrijke conferentie over het Nederlandse Ontwikkelingsbeleid gehouden op 18 November vorig jaar:

“Onvoldoende wordt binnenlands beseft, dat de schade van bezuinigingen op OS oneindig groter is dan het betreffende bedrag in Nederlandse guldens. Immers, 20 jaar lang heeft Nederland - onder ministers van verschillende politieke kleur - zich een morele leidersrol aangemeten met onze 1,5 procent.

Het plotseling opgeven van deze voorbeeldfunctie heeft een grote demobiliserende werking elders. Als Nederlander in een multilaterale organisatie word ik daarop aangesproken - door verontruste ontvangers en door andere donoren''.

De huidige minister heeft in zijn slottoespraak tijdens bovengenoemde conferentie zijn voorstel herhaald om te komen tot een nieuwe budgettaire norm voor internationale samenwerking, namelijk 1,5 procent van het BNP (in plaats van het netto nationaal inkomen). Daarbinnen zou 1 procent gereserveerd worden voor duurzame ontwikkeling, dat wil zeggen 0,9 procent voor de eigenlijke ontwikkelingshulp (ODA), en 0,1 procent voor internationaal milieubeleid. De resterende 0,5 procent levert de financiële ruimte voor andere taken: vredesoperaties, vluchtelingenopvang, transformatiehulp voor Oost-Europa en overige niet-ODA-uitgaven.

In het licht van de concessionele internationale financiering welke op basis van ruwe berekeningen de komende jaren nodig zal zijn voor een meer leefbare wereldsamenleving moet dit voorstel als een absolute ondergrens gezien worden. Politieke partijen verdienen op hun intenties ten aanzien hiervan zwaar beoordeeld te worden.

    • Jan Tinbergen
    • Piet Terhal