Voorzitter VNO over de verkiezingen; 'Het buitenland rekent niet op revolutie'

DEN HAAG, 30 APRIL. Even leek het erop dat het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) al een kabinet aan het formeren was. Vorige week meldde het ANP dat de grootste werkgeversorganisatie “zich iets kon voorstellen” bij de vrees van buitenlandse beleggers voor de komst van een paarse coalitie, zonder het CDA. Lijsttrekker L.C. Brinkman van dat CDA had op die angst gezinspeeld.

Het was om meerdere redenen een interessant bericht. Als het waar was, betekende het een breuk met de politieke onpartijdigheid van het VNO. Bovendien staat zijn voorzitter, A. Rinnooy Kan, bekend als “snurkend lid” van D66. Hij werd steeds vaker genoemd als toekomstig minister van economisch zaken voor D66, de partij die juist streeft naar zo'n paarse coalitie.

Maar het bericht was niet waar, zegt de voorzitter van het VNO. “Het was een buitengewoon selectief citaat en niet in de lijn van het VNO”, aldus Rinnooy Kan. “Wij interesseren ons niet voor de politieke samenstelling van het kabinet, wel voor het beleid.” Om reden van dezelfde onpartijdigheid laat de VNO-voorzitter zich niet verleiden tot een specifiek oordeel over het D66-programma.

Voor de buitenlandse beleggers geldt volgens Rinnooy Kan hetzelfde als voor het VNO. “Ook hun oordeel is niet afhankelijk van een coalitie maar van het beleid. Als er één imago is dat Nederland in het buitenland heeft, is dat er één van soliditeit, degelijkheid, stabiliteit, en saaiheid, zo u wilt. De negatieve rapportage van De Nederlandse Bank, deze week, over het gevoerde financiële beleid in het laatste jaar van het kabinet, heeft wat glans en glitter van dat imago afgehaald. Maar voor een doorbreking van die traditie is meer nodig.

“Buitenlandse waarnemers kennen onze coalitiepolitiek en de statistieken. Die wijzen uit dat Nederland, geloof ik, vorig jaar wereldwijd het kleinste aantal arbeidsdagen had dat verloren ging aan stakingen. Ik tref bij die waarnemers absoluut geen verwachting aan dat Nederland aan de vooravond staat van een geweldige revolutie.”

Rinnooy Kan wil ook speculaties tegenspreken dat hij klaar zou staan voor de overstap naar de politiek. Sinds april 1994 is de voorzitter begonnen aan de tweede termijn van drie jaar, die dus in 1997 afloopt. Die termijn maakt hij af, zo laat hij weten. “Het zou hoogst onfatsoenlijk zijn om het VNO te confronteren met een tussentijds vertrek, en ook uiterst hinderlijk. Het hoort niet om er tussentijds uit te stappen voor een kabinetspost.”

De waarschuwing van Brinkman voor de reactie van de beurzen, het schermen van premier Lubbers met een 'ruk naar links' en het gepolariseer van de PvdA tegen het ministelsel van de VVD, doen Rinnooy Kan concluderen dat “er in deze verkiezingscampagne veel geappelleerd is aan negatieve emoties. De sfeer was er niet één van: We zijn voorstander van veranderingen van type A, maar één van: we zijn tegenstander van veranderingen van type B.”

Hoewel er in de politiek en onder werkgevers en werknemers min of meer consensus bestaat over de economische richting die ingeslagen moet worden - deregulering, lastenverlichting, verlaging van de loonkosten - is de gang daarheen nog traag, vindt Rinnooy Kan. “We zijn erg bang een onbeschaafd land te worden. Rond de discussie in het CDA om het minimumloon af te schaffen dan wel te verlagen, proefde je soms de angst dat we zonder minimumloon een land worden waar mensen in kartonnen dozen de nacht moeten doorbrengen. Hetzelfde zag je bij de AOW.”

Het verbaast de werkgeversvoorzitter dan ook niet dat de partijen hun programma's niet hebben aangescherpt naar aanleiding van de laatste, dramatische cijfers over de werkloosheid. “Die programma's waren toch al zware bevallingen voor de partijen. Qua receptuur had men niet veel meer in huis.” Maar ook de samenleving zit niet op grootse veranderingen te wachten. “De actieven oefenen geen druk uit op de politiek om iets te veranderen. Uit onderzoek is gebleken dat de 'nieuwe werknemer' wel gesteld is op meer flexibiliteit in werktijd, maar minder risicobereid is dan we hadden verwacht. Hij heeft nog steeds een grote behoefte aan zekerheid en voorspelbaarheid. En de inactieven willen graag de sociale zekerheid zo houden als die is. Er was deze weken dan ook geen nationale oproer, terwijl daar best reden voor is.”

    • Kees Versteegh