VOL

Ik heb het altijd pijnlijk gevonden om deel te nemen aan het debat over 'de volheid van Nederland', omdat ik het onwillekeurig bleef zien als een beleefde variant op vreemdelingenangst. Men bedoelt immers nooit dat Nederland te vol is voor Nederlanders, men propageert geen geboortenbeperking, abortus en euthanasie. Vol betekent altijd: te vol voor (nog meer) buitenlanders. Vooral de toevoeging dat al die mensen die dat vinden 'op zich' niets hebben tegen vreemdelingen en 'in beginsel' geen raciale sentimenten koesteren, vond ik hoogst verdacht. Als ze zo overtuigd waren van de onschuld van hun visie, zouden ze dat er nooit bij zeggen.

Hoe dan ook, intussen lijden steeds meer Nederlanders aan de ondraaglijke volheid van het bestaan. Meer dan een derde deel van de bevolking vindt dat de komst van buitenlanders het grootste probleem is van het land, en daar moet iets op worden gezegd, maar wat? Alles lijkt al geopperd, je kunt zeker vijf strategieën onderscheiden om de gedachte van de volheid van Nederland te weerleggen, maar ik heb bij Franz Kafka nog een zesde tegenwerping gevonden, die mij notabene definitief bevrijd van de associatie van volheid met vreemdelingenangst. Laat ik eerst de bekende vijf de revue laten passeren:

1. De ontkenning. In deze strategie zegt men simpelweg dat het niet waar is dat Nederland te vol zou zijn. Hier bestaan verschillende varianten op. Ten eerste is er kritiek op de grootheden die worden vergeleken: men zou niet de landelijke bevolkingsdichtheden aan elkaar moeten relateren, maar de stedelijke, want daar wonen de mensen eigenlijk. Zo gezien is de randstad minder vol dan bijvoorbeeld Mexico City, New York, Hong Kong, of Bombay. Ten tweede is er kritiek op de maat: volheid meet je niet aan het aantal inwoners per vierkante meter, maar aan de beschikbaarheid van bestaansmiddelen. In dat opzicht is de Sahel 'vol'. Een laatste aanpak is de getalsmatige ontkenning: vroeger maakte men zich zorgen dat er in Nederland tien miljoen mensen zouden wonen, of juist andersom: toen er voorspeld werd dat er nu twintig miljoen Nederlanders zouden zijn vond niemand het een probleem. Of nog concreter, zoals recentelijk in een artikel van Professor Kees Groenendijk: het aantal immigranten is al bijna vijf jaar stabiel, waar gaat de paniek over?

2. De morele consequentie. Men geeft toe dat Nederland vol is, maar vraagt wat men dan zou moeten doen: middeleeuws reageren door de brug op te halen en hete olie te gooien? In deze strategie (vooral aangehangen door mensen als minister Pronk) wordt geappelleerd aan het morele gevoel van de mensen, door te wijzen op het egoisme om zich niets van de wereld aan te trekken. In abstractere vorm wordt gewezen op de wereldwijde mensenrechtenrevolutie: de migratiestromen zijn een gevolg van het feit dat steeds meer mensen hun rechten opeisen, daardoor worden beschoten en vervolgd en daarom worden gedwongen te vluchten. Toelating van deze vluchtelingen is dus een bescheiden bijdrage aan een nobel doel: de bescherming van de mensenrechten in de wereld.

3. De politieke ethiek. Deze strategie heeft betrekking op politici: Habermas zei bijvoorbeeld dat volkeren hun legitimiteit verliezen als ze zich niet meer aan hun beloften houden. Die beloften zijn neergelegd in nationale (grond)wetten en internationale verdragen. Politici moeten deze teksten te allen tijd eerbiedigen, ook als de korte-termijnbelangen aanleiding geven om ze te overtreden. De taak van staatslieden is het bewaken van het algemene belang op de langere termijn, en het allerhoogste belang is juist die legitimiteit.

Een iets persoonlijkere variant op deze strategie gebruikt Hannah Arendts opvatting van de banaliteit van het kwaad: ambtenaren en politici die de onheuse wil van anderen volgen, vanuit de Befehl-ist-Befehl gedachte, zullen later schuldig blijken te zijn, niet om wat ze hebben gedaan, maar om wat ze hebben nagelaten: het overzien van de ethische gevolgen.

4. De nationale waardigheid. In deze strategie wordt de logica van het nationalisme omgekeerd: de historicus Benedict Anderson zegt bijvoorbeeld dat een volk zijn waardigheid niet verkrijgt door het vermogen om anderen uit te sluiten, maar juist door anderen ertoe te verleiden om deel te nemen aan de eigen taal, de eigen cultuur en de eigen geschiedenis. Volkeren behoren niet klein en exclusief te willen zijn, maar groot, zelfverzekerd en royaal met hun culturele verworvenheden.

5. De gewenning. De meest relativerende strategie is die van Hans Magnus Enzensberger, die zegt dat mensen altijd geneigd zijn te vergeten dat ze zelf ook elders vandaan komen, en daarom weigeren het 'eigen' land te delen met nieuwkomers. Enzensberger heeft hiervoor het beroemde model van de treincoupé bedacht: eerst zitten er twee passagiers, die zich de ruimte toeëigenen. De coupe is wat hen betreft vol. Dan komen nog twee passagiers, en de eerste twee reageren geirriteerd. Maar ze raken tenslotte gewend aan de nieuwe toestand: het territoriale instinct wordt uiteindelijk overwonnen door de redelijkheid.

Op elk van deze strategieën valt iets aan te merken: de eerste veronderstelt dat het gevoel van volheid met rationele middelen kan worden bestreden, de tweede dat Nederlanders uiteindelijk hun medemenselijkheid zullen laten prevaleren, de derde dat politici echte staatslieden willen zijn en hun geweten volgen, de vierde dat een volk zich als volk herkent en de vijfde dat alles went. Maar bij Kafka vond ik verreweg de meest bevredigende benadering:

6. De zinloosheid. In zijn verhaal 'Gemeenschap' beschrijft Kafka een groepje van vijf mannen dat voor een huis staat, en een zesde die zich bij hen wil aansluiten. Het verhaal is zo mooi dat ik een stukje overschrijf: 'Wij vijven hebben elkaar vroeger weliswaar ook niet gekend en, als je wilt, kennen wij elkaar ook nu niet, maar wat bij ons vijven mogelijk is en verdragen wordt, is met die zesde niet mogelijk en wordt niet verdragen. Bovendien zijn wij met ons vijven en wij willen niet met ons zessen zijn. En wat zou overigens dit voortdurende samenzijn voor zin hebben; ook voor ons vijven heeft het geen zin, maar wij zijn nu al samen en blijven het, en een nieuwe verbinding willen wij niet, juist op grond van onze ervaringen. Maar hoe moet je dit alles de zesde aan zijn verstand brengen? Lange uiteenzettingen zouden al bijna het opnemen in onze kring betekenen. Wij verklaren liever niets en nemen hem niet op. Hij kan nog zo'n lelijk gezicht trekken, wij stoten hem met de ellebogen weg. Maar al stoten wij hem nog zo hard weg, hij komt terug.'

In deze benadering wordt het idee van een territoriaal instinct radicaal weggewerkt: de vijf staan niet in het huis, dat vol zou kunnen raken, maar er voor. Hun weigering om de zesde toe te laten is geen natuurlijk instinct, maar zuivere sociale onwil, die niet eens kan worden verklaard, omdat de zesde dit zou kunnen uitleggen als een aanvaarding. Maar het belangrijkste van Kafka's benadering is dat het samenzijn van de vijf mannen door hen zelf als zinloos wordt ervaren. Juist door die onverschilligheid, en misschien zelfs hun onderlinge afkeer, ontstaat het gebrek aan welwillendheid tegenover de zesde.

Dit geeft een idee van het diepe gevoel van ongeluk dat schuil zou kunnen gaan achter het idee van de volheid van Nederland: de Nederlanders zijn al ongelukkig met elkaar, waarom zouden ze ook nog ongelukkig moeten zijn met de buitenlanders? Het is geen vreemdelingenhaat die ze koesteren, maar een raar soort zelfhaat. Ze willen die niet delen met de buitenlanders, en dat is eigenlijk best sympathiek.

    • Anil Ramdas