Staat moet bar Manet aankopen

De 'Wet behoud cultuurbezit' moet ervoor zorgen dat roerende goederen van grote artistieke of culturele betekenis voor Nederland behouden blijven. Het binnenkort te veilen schilderij van Manet Studie voor 'Een bar in de Folies-Bergère' behoort zeker tot die categorie, meent Carel Blotkamp.

Eind oktober 1993 meldden de kranten dat Edouard Manets schilderij Studie voor 'Een bar in de Folies-Bergère', gedurende vele tientallen jaren in bruikleen aanwezig in het Stedelijk Museum in Amsterdam, plotseling door de eigenaar was weggehaald, vermoedelijk met de bedoeling om het in het buitenland te verkopen. Het nieuws werd op de voorpagina van NRC Handelsblad prominent gebracht, met een kleurenfoto van het beroemde schilderij erbij. Daarna viel er een diepe stilte, totdat op 22 maart jongstleden een klein bericht verscheen dat het werk op 28 juni bij Sotheby's in Londen zal worden geveild. Bij het lezen dacht ik: mooi, dat schept tenminste duidelijkheid. Nu moet de Staat der Nederlanden het maar op de veiling kopen. Ik zal uitleggen waarom.

We hebben in Nederland een Wet behoud cultuurbezit. Die wet is een aantal jaren geleden ingesteld om ervoor te zorgen dat roerende goederen van grote artistieke of anderszins van grote culturele betekenis, die niet in overheidsbezit zijn maar geacht worden tot het nationale cultuurgoed te behoren, voor ons land behouden blijven - om er dus voor te zorgen dat ze niet geruisloos over de grens verdwijnen. Hoewel de Europese eenwording voor bepaalde complicaties zorgt, kennen de meeste landen een dergelijke wetgeving; alleen is de praktische inrichting ervan niet overal gelijk.

In Engeland bijvoorbeeld bepaalt de wet dat cultureel waardevolle voorwerpen met een geldwaarde boven een bepaald bedrag eerst aangemeld en beoordeeld moeten worden voordat verkoop naar het buitenland wordt toegestaan. In Nederland heeft men voor de nogal omslachtige methode gekozen om een lijst aan te leggen van voorwerpen die verdienen om onder de Wet behoud cultuurbezit te vallen. Per voorwerp, of soms, als het om bijzondere collecties gaat, per groep voorwerpen, moet met kracht van argumenten worden aangegeven waarom het behoud ervan voor ons land zo belangrijk is. Aan die argumentatie wordt gewerkt door ambtenaren van WVC en door een commissie van deskundigen van de Raad voor het Cultuurbeheer.

Voor particulieren, stichtingen of andere niet-overheidsinstellingen die zulke belangrijke voorwerpen bezitten is de bemoeienis van de overheid niet altijd even leuk. Ze mogen met hun eigendom niet doen wat ze willen, en ze moeten controle gedogen. Daar staat tegenover dat bij restauraties de overheid financiële steun kan geven. Als de eigenaar een beschermd stuk wil verkopen, kan de overheid dat hooguit een half jaar tegenhouden. Ze moet het zelf (of een museum, of een andere instelling in eigen land) tegen de reële marktwaarde kopen. Doet ze dat niet, dan moet ze het stuk laten gaan. Er zijn voorts nog allerlei voorwaarden in de wet opgenomen om te voorkomen dat ze een verlammende werking op het normale verkeer van goederen heeft. Zo geldt de bepaling dat degene die zelf een werk uit het buitenland heeft binnengehaald (een handelaar bijvoorbeeld, of een particulier) het ook ongehinderd weer naar het buitenland mag verkopen. Een voorwerp moet dus al langere tijd, en in handen van verschillende eigenaars, in het land zijn geweest om voor bescherming volgens de wet in aanmerking te komen. Voor moderne kunst geldt nog de speciale bepaling dat degene die het werk van de kunstenaar heeft gekocht, de eerste eigenaar dus, vrij is van bemoeienis van de wet. Dat verklaart waarom er zo weinig moderne kunst op de lijst staat: tot nu toe niet meer dan een tiental werken uit de late 19de en de 20ste eeuw.

Waar het om draait is natuurlijk de definitie van nationaal cultuurbezit; legt men bij de interpretatie daarvan de nadruk op de woordcombinatie nationale cultuur, of op nationaal bezit? De tekst van de wet geeft daarover geen volledig uitsluitsel. In de praktijk blijkt bij het opstellen van de lijst wel een zwaar accent te worden gelegd op voorwerpen die in Nederland zijn gemaakt (met alle problemen van dien, omdat in vroeger eeuwen de landsgrenzen nu eenmaal anders lagen dan tegenwoordig), maar er zijn ook talloze uitzonderingen. Er wordt blijkbaar, en terecht, van uitgegaan dat wat langdurig in ons land in bezit is en daar vaak ook een zekere openbare functie vervult, goede kans maakt op een gegeven moment tot de nationale cultuur te gaan behoren. Zo treffen we op de lijst draaiorgels en natuurkundige instrumenten van buitenlandse makelij aan, en een laat schilderij van Cézanne.

Ook voor de Manet die in bruikleen in het Stedelijk was, was een argumentatie opgesteld ter plaatsing op de lijst van beschermde cultuurgoederen, maar die plaatsing was nog niet geëffectueerd omdat er binnen WVC enige twijfel bestond over de bewijskracht indien de eigenaar juridisch bezwaar zou maken. Toen het schilderij van de ene dag op de andere uit het Stedelijk werd weggehaald en naar het buitenland gebracht, was het zelfs voor een spoedprocedure te laat. Er waren echter in mijn ogen ruimschoots voldoende argumenten aanwezig om de Studie voor 'Een bar in de Folies-Bergère', één van de slechts twee schilderijen van Manet in Nederland, te beschouwen als van groot belang voor onze nationale cultuur, niet minder dan bijvoorbeeld de Cézanne die wèl op de lijst staat.

Die argumenten zijn van verschillende aard. In de eerste plaats had Manet bijzondere banden met Nederland: persoonlijke (zijn vrouw was de Nederlandse Suzanne Leenhoff, zijn zwager de beeldhouwer Ferdinand Leenhoff) en artistieke. Naast Velazquez was Frans Hals zijn grote held, voor wiens werk hij een bedevaart naar Haarlem maakte. In de tweede plaats, en dat is belangrijker, heeft Manet veel invloed gehad in Nederland in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. Men had hier weinig oog voor de Franse impressionisten, maar toonaangevende jonge schilders zoals Breitner, Isaac Israëls, Jan Toorop en Willem de Zwart koesterden voor Manet grote bewondering. De sporen daarvan zijn duidelijk aanwijsbaar in hun werk: niet voor niets werd in die tijd geschreven over het 'Manetisme' in Nederland. En juist de Studie voor 'Een bar in de Folies-Bergère' maakt die band zichtbaar: het kan met recht het meest 'Breitneriaanse' schilderij van Manet genoemd worden. In de derde plaats is het schilderij een monument in de geschiedenis van het verzamelen van moderne kunst in Nederland. Het werd in 1928 gekocht door de grote verzamelaar Franz Koenigs en al voor de oorlog in bruikleen gegeven aan het Stedelijk. Voor generaties kunstliefhebbers, en zelfs voor treinreizigers die nog nooit een museum van binnen hebben gezien, is het niet weg te denken uit ons openbaar kunstbezit.

Toch is het daaruit nu weg, voor het moment althans. Dat het Stedelijk, zo kort na de overname van de Mondriaan van de gemeente Hilversum, niet direct weer voor jaren zijn aankoopbudget wil steken in de aankoop van de Manet is begrijpelijk. Daarom mijn suggestie uit de aanhef: laat de Staat een daad stellen door het schilderij in juni op de veiling in Londen te kopen, een daad waarmee ze tot uitdrukking brengt dat ze ernst maakt met de Wet Behoud Cultuurbezit. Als het schilderij op de lijst had gestaan, waarop het zoals ik heb geargumenteerd behoorde te staan, had zij immers ook een aankoop in serieuze overweging moeten nemen. De minister van financiën kan zich troosten met de gedachte dat het huidige prijspeil van Franse schilderkunst van de late 19de eeuw aanzienlijk lager ligt dan enkele jaren geleden. En als particulieren kunnen we wellicht een handje helpen om het schilderij terug te halen.