Rust weergekeerd op Sumatra na tien dagen van stakingen; Bond betaalt zware tol voor acties

JAKARTA, 30 APRIL. De Bond voor Arbeiderswelzijn (SBSI), de vrijbuiter van het strak gereguleerde Indonesische vakbondsbestel, betaalt dezer dagen een zware tol voor zijn rebelse gedrag. Donderdag besloot het kabinet dat de SBSI zichzelf “buiten de wet” heeft geplaatst. 'Alle aktiviteiten' van de bond werden verboden. De SBSI, die in april 1992 werd opgericht als onafhankelijke tegenhanger van het door de regering gekoesterde Indonesische Werknemersverbond (SPSI), eist de verantwoordelijkheid op voor de grootste golf van arbeidsonrust die het land sinds de jaren zestig heeft gekend en die aanspraak hebben de autoriteiten heel letterlijk genomen.

In de Noordsumatraanse hoofdstad Medan is na tien dagen van stakingen, demonstraties en rellen de rust weergekeerd. In de vele fabrieken in en om de stad waar de afgelopen weken door duizenden arbeiders is gestaakt voor hogere lonen en vakbondsvrijheid hebben militaire teams werkgevers onder druk gezet om zich aan het wettelijke minimumloon te houden, wat in veel gevallen is toegezegd. De talrijke winkeliers van Chinese afkomst, die na vernielingen in hun winkels en de gewelddadige dood van een Chinese fabrikant hun zaak sloten, lijken van de ergste schrik bekomen en laten weer klanten binnen.

Hoewel twee actiegroepen voor de mensenrechten medeverantwoordelijk zijn voor de demonstratieve optocht van twintigduizend arbeiders op 14 april, die de stakingsgolf inleidde, wenste de SBSI dit wapenfeit op eigen naam te schrijven. Het geweld en de vernielingen waarmee de acties gepaard gingen, wijt de bond aan elementen uit de Medanse onderwereld die tegen betaling door 'derden' de stakingen zouden hebben ontregeld. De SBSI heeft in Medan aan den lijve ondervonden hoe makkelijk het is, gezien de vaak beroerde arbeidsvoorwaarden in de Indonesische industrie, om het stakingsvuur te ontsteken, maar ook hoe lastig het is om een uitslaande brand te voorkomen. En niet in de laatste plaats hoe snel in Indonesië, waar zo'n 65 procent van de economie in handen is van etnische Chinezen, een arbeidsconflict omslaat in een rassenrel.

De nog jonge SBSI beweert 250.000 leden te hebben, maar dat is moeilijk na te gaan, want een formeel lidmaatschap lijkt niet te bestaan. Het landelijk bestuur wordt voorgezeten door dr. Muchtar Pakpahan, een voormalige arbeidersadvocaat die vorig jaar aan de Universitas Indonesia promoveerde op een dissertatie over het gebrekkige functioneren van het parlement. De bond telt zijn aanhang vooral in de industriegebieden rond Jakarta, in Medan en omgeving - de streek waar voorzitter Pakpahan vandaan komt - en in Semarang, de hoofdstad van Midden-Java. De SBSI werft plaatselijke bestuurders onder werkloze afgestudeerden en voormalige kaders van de SPSI, de enige van overheidswege erkende vakorganisatie. Deze gewezen bedrijfskaders wendden zich in veel gevallen af van de SPSI omdat die hen in de steek liet als ze in aanvaring kwamen met werkgever of autoriteiten. De SPSI, een koepel van dertien bedrijfstaksbonden, onderhoudt nauwe banden met regeringspartij Golkar en wordt vaak verweten onder één hoedje te spelen met werkgevers.

De SBSI heeft na zijn oprichting vergeefse pogingen ondernomen om zich te laten registreren als massa-organisatie bij het ministerie van binnenlandse zaken. In januari vaardigde minister van arbeid Abdul Latief een decreet uit waarin staat dat alleen de SPSI-bonden worden erkend als vertegenwoordigers van de Indonesische werknemers. Eén van de eisen waarmee de arbeiders van Medan twee weken geleden de straat opgingen, was intrekking van dit gewraakte decreet. Volgens Pakpahan werd het hoofbestuur pas verwittigd van de acties in Medan op de dag dat ze van start gingen. Hij acht zo'n initiatief het 'democratisch recht' van een plaatselijke afdeling, maar vindt dat het hoofdbestuur de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt.

De Indonesische strijdkrachten (ABRI) stellen de SBSI verantwoordelijk voor alles wat er mis ging in Medan. Blijkens recente uitlatingen van hoge officieren in Jakarta en Noord-Sumatra wenst ABRI een formeel verbod van de bond. Negentien van de 47 personen die nog vastzitten in Medan zouden lid zijn van de SBSI. De secretaris van de SBSI-afdeling Medan, Riswan Lubis, is al aan het begin van de stakingsgolf gearresteerd. Via een familielid liet hij aan het weekblad Tempo weten dat hij het niet alleen zwaar te verduren heeft van zijn ondervragers, maar ook van vastgezette stakers, die hem verantwoordelijk stellen voor hun gevangenschap. De voorzitter van de afdeling Medan, Amosi Telaumbanua, is twee weken gezocht door de politie en heeft zich gisteren, in aanwezigheid van Pakpahan, aangegeven bij de politie in Jakarta. Hij liet eerder vanuit zijn onderduikadres weten hiertoe bereid te zijn als hij de garantie kreeg dat hij niet wordt mishandeld, wat hem in het verleden meermalen is overkomen. Het feestje ter gelegenheid van de tweede verjaardag van de SBSI, dat zondag werd gehouden in Jakarta-Oost, werd door de politie ontbonden, omdat voor deze 'meeting' geen toestemming was gevraagd. Pakpahan was wijselijk weggebleven. Gisteren zei de coördinerende minister voor politiek en veiligheid, generaal b.d. Soesilo Soedarman, na een beperkte kabinetszitting dat 'alle aktiviteiten van de SBSI' - dus niet de organisatie zelf - 'met ingang van heden zijn verboden'.

De meest ondubbelzinnige aanwijzing hoezeer de autoriteiten gebeten zijn op de SBSI zijn de vergelijkingen die enkele hoge ABRI-officieren de laatste week trokken tussen de SBSI en de PKI, de communistische partij van Indonesië die, nadat het leger een coup-poging van links georiënteerde officieren in 1965 had neergeslagen, werd verboden en daarna bloedig geliquideerd. De 'terreurmethoden' van de SBSI - bedoeld wordt de druk die stakers uitoefenden op werkenden om zich bij hen aan te sluiten - zouden “rieken naar PKI-praktijken uit de jaren zestig”. Bovendien laten ABRI-woordvoerders niet na te vermelden dat Muchtar Pakpahan de zoon is van Sutan Johan Pakpahan, een vooraanstaand lid van de communistische boerenbond in Noord-Sumatra, die in 1964 stierf, toen Muchtar 11 jaar oud was. Deze beschuldiging door associatie heeft in Indonesië, zelfs een kwart eeuw na de uitroeiing van de PKI, nog steeds een sinistere klank.

Deze week bracht een delegatie van het Internationale Verbond van Vrije Vakverenigingen een bezoek aan Indonesië, om ter plekke informatie in te winnen over een tweetal organisaties die het IVVV-lidmaatschap hebben aangevraagd: de SPSI en de SBSI. De SPSI heeft de laatste jaren meermalen nul op het rekest gekregen van deze internationale organisatie, terwijl delegatieleider G. Sanjeeva Reddy liet doorschemeren dat de SBSI een goede kans maakt “als ze kan aantonen volledig onafhankelijk te zijn van bepaalde politieke belangen”. Toen de IVVV-delegatie deze week een bezoek wilde brengen aan de SBSI-afdeling in Tangerang, een industriële voorstad van Jakarta, werd ze opgewacht door dertig man politie, die de leden langdurig ondervroegen over hun geloofsbrieven en bedoelingen, voordat ze toegang kregen tot de plaatselijke SBSI-voorzitter. De Internationale Arbeidsorganisatie van de VN (ILO) heeft de SBSI al erkend als legitieme arbeidersorganisatie toen de ILO-vertegenwoordiging in Indonesië vorig jaar een klacht van die bond in behandeling nam over ontslagen van SBSI-leden.