Rijnkampen

Tot dusverre zijn Duitse historici terughoudend geweest in de beschrijving van geallieerde oorlogsmisdaden zoals die tijdens de Tweede Wereldoorlog deels in reactie op de nazi-gruwelen plaats vonden. Dit taboe valt te verklaren uit de vrees dat schrijven over die geallieerde misdaden de “zwaarte van de Duitse schuld zou verminderen”.

Dit schrijft professor Von der Dunk in zijn lange en waarderende bespreking van Das Gezetz des Krieges. Das deutsche Heer in Russland 1941 bis 1945. Der Prozess gegen das Oberkommando der Wehrmacht van de hand van Jorg Friedrich waarin deze zowel Duitse als geallieerde misdaden aanhaalt (boekenbijlage, 16 april).

Of het bestaan van dit taboe inderdaad verklaard moeten worden uit de vrees de Duitse schuld te relativeren - een gevoelig punt in de Historikerstreit - is zeer de vraag. De wijze waarop is omgesprongen met een van die Amerikaanse misdaden, de kampen voor Duitse krijgsgevangenen aan de Rijn, is wat dat aangaat veelzeggend.

Anders dan Von der Dunk meent is Friedrich overigens niet de eerste die dit onderwerp behandelt. In 1989 verscheen het boek Other Losses van de Canadese schrijver James Bacque, dat onder de Duitse titel Der geplante Tod: Deutsche Kriegsgefangene in amerikanischen und franzosischen Lagern 1945/46 in februari 1990 al zes keer herdrukt was. Kranten als Die Zeit' en FAZ besteedden er aandacht aan en via ingezonden brieven kwamen overlevenden aan het woord. Zo 'taboe' was dit onderwerp dus ook weer niet.

Volgens Bacque kwamen in die kampen, “zonder twijfel meer dan achthonderdduizend, bijna zeker meer dan negenhonderdduizend en zeer waarschijnlijk meer dan een miljoen” Duitse krijgsgevangenen om het leven. Ze werden het slachtoffer van moedwillige verwaarlozing en ondervoeding, kortom van een 'geplande dood'. In de statistieken werden ze geboekt als 'other losses', wat de Engelse titel verklaart. De Canadese schrijver legt de schuld bij de Amerikaanse opperbevelhebben Eisenhower, die bevoorrading van de gevangenenkampen met legervoorraden noch interventie door het Rode Kruis toestond. Dit in tegenstelling tot de Britten, die veel beter voor de gevangenen zorgden.

Of de cijfers nu helemaal juist zijn of niet (hierop was een deel van de kritiek gericht), uit de discussie bleek in elk geval dat het bestaan van de Rijnkampen en de grote aantallen slachtoffers in '45-'46 in de doofpot verdween. De publieke opinie kon tijdens de Koude Oorlog niet uit de voeten met deze waarheid, de latere Marshall-hulp versluierde de eerdere, onaangename ervaringen met de Amerikanen. Wie de waarheid over de Rijnkampen vertelde, aldus een overlevende in een brief aan Die Zeit, kreeg steevast het verwijt “gruwelpropaganda te verspreiden, anti-Amerikaans of zelfs verkapt communist te zijn”. Dit in tegenspraak tot de enorme aandacht voor de lotgevallen van Duitse gevangenen in Russische kampen. Kennelijk ging het bij het bepalen van de waarheid niet zozeer om de Duitse schuld, als wel om het instandhouden van het vriend-vijandschema in de Koude Oorlog.

Ook anno 1990 was het klimaat nog niet rijp voor de door Von der Dunk gewenste openheid. Historicus Rolf Steininger die in een kritiek op Der geplante Tod uitging van ten minste 200.000 doden in Amerikaanse en Franse kampen (tegenover 80.000 Duitse doden aan het westelijk front tussen 1941 en 1945!) riep op tot het instellen van een internationale onderzoekscommissie naar analogie van de Waldheimcommissie. Die commissie is er bij mijn weten niet gekomen. Misschien dat Jorg Friedrichs boek nu, bijna vijftig jaar later, een nieuwe aanleiding biedt voor zo'n onderzoek.