Reconstructie van een kamp

Jules Schelvis: Vernietigingskamp Sobibor 542 blz., De Bataafsche Leeuw 1993, ƒ 65,-

Van 'Vernietigingskamp Sobibor' verschijnt in de loop van volgende week een tweede druk. De eerste druk is uitverkocht.

Iedere auteur die zich met geschiedenis bezighoudt wordt min of meer bewogen door het motief de onderste steen boven te laten komen. Als iemand ooit door die drang is gegrepen, is het wel Jules Schelvis, die na een archievenonderzoek van vele jaren de sinistere feiten en cijfers van het van de aardbodem verdwenen vernietigingskamp Sobibor uit de onderwereld van de vergetelheid heeft opgegraven.

Schelvis stelde zich die opdracht niet om zijn eigen kampverleden te reconstrueren maar omdat hij wilde weten hoe het zijn familie, die hij daar op 4 juni 1943 had moeten achterlaten, was vergaan. Hijzelf ontkwam door een gelukkig toeval aan het vernietigingskamp (enkele dagen na zijn aankomst werd hij overgeplaatst naar een ander kamp), maar zijn vrouw en schoonfamilie behoorden tot de 34.313 joodse Nederlanders die Sobibor niet overleefden. De volledige lijst met namen en voornamen van de Nederlandse slachtoffers in Sobibor is als bijlage in Schelvis' boek opgenomen.

Schelvis dankte zijn 'geluk' aan een speling van het lot: op de tweede dag van zijn verblijf in Sobibor werd hij, met tachtig andere mannen, geselecteerd voor werkkampen buiten Sobibor. De auteur wijdt aan dat moment maar luttele regels. Oberscharführer Karl Frenzel wees de tachtig mannen die op het appèl naar voren moesten komen met zijn zweep aan. De andere 2926, onder wie de vrouw van Schelvis en zijn schoonfamilie, gingen direct naar de gaskamers. Twee dagen eerder was het echtpaar Schelvis met de andere joodse Nederlanders uit Westerbork op transport gesteld naar Sobibor. Niemand wist wat Sobibor betekende. Het begrip vernietigingskamp was nog onbekend.

Schelvis was uit de rij gehaald en ingedeeld bij een groep werkkrachten die in het kamp Dorohucza nodig was om turf te steken. Omdat hij van beroep boekdrukker was werd Schelvis vandaar overgeplaatst naar een getto in Polen en tewerkgesteld bij een drukkerij die formulieren voor de Duitsers maakte. Daar had hij als drukker, een gewaardeerd beroep, zekere voorrechten. Hij deelt daar weinig over mee, maar hij werd er in elk geval goed behandeld. Terwijl de Russische legers verder in de richting van Duitsland oprukten, verhuisde Schelvis van kamp naar kamp. Zijn laatste werkkamp was in Stuttgart waar hij op 8 april 1945 door Franse troepen werd bevrijd. In een plaatselijk hospitaal (hij had vlektyphus) begon hij zijn 'kampmemoires' te schrijven. Na zijn terugkomst in Nederland slaagde hij er niet in ze aan de man te brengen, geen uitgever had enige belangstelling voor zijn verhaal. Het duurde meer dan een jaar voordat het Afwikkelingsbureau Concentratiekampen in Den Haag een, tamelijk slordig, boekje over Sobibor publiceerde met verklaringen van overlevenden. Daaruit bleek dat Schelvis de enige overlevende was van het transport van 3006 gedeporteerden.

Frenzel

Oberscharführer Frenzel verschijnt in het boek van Schelvis bijna veertig jaar later in een heel andere rol opnieuw op het toneel. Hij is dan geen schim meer van de van zijn macht genietende, schreeuwende, in gestreken uniform gestoken sergeant-majoor van de SS, maar een 72-jarige dikke man met pafferig kaal hoofd die door het Schwurgericht van de Duitse stad Hagen gesommeerd wordt van zijn plaats in de verdachtenbank op te staan. De zitting in Hagen (1982) is het vierde Sobibor-proces dat in de Bondsrepubliek wordt gehouden (De drie vorige processen waren in Nederland, op een enkele krant na, in de pers nauwelijks opgemerkt). Frenzel verklaart dat hij de joden in Sobibor goed heeft behandeld en met vergassingen niets te maken heeft gehad. Hij beroept zich erop niet meer dan de indeler van werkeenheden te zijn geweest: behalve commandant van het Arbeitslager was hij ook commandant van het Bahnhofkommando, en als zodanig verantwoordelijk voor de indeling van de werkkrachten.

Op de publieke tribune was Jules Schelvis, tien jaar jonger dan Frenzel, de enige toehoorder. Hij was naar de zitting gekomen als 'geïnteresseerde', zonder op dat ogenblik nog te kunnen bevroeden dat dit maanden durende revisieproces - aangespannen door de in 1966 tot levenslang veroordeelde Karl August Wilhelm Frenzel, schuldig bevonden aan de dood van ten minste 150.000 mensen - de rest van zijn leven zou gaan beheersen. Van zijn kant kon de terechtstaande vroegere commandant van het werkkamp (Arbeitslager) in Sobibor niet hebben bevroed dat hij Schelvis nog eens, in een andere rol, zou tegenkomen.

Ook aan deze ironische wending van zijn eigen leven wijdt Schelvis niet meer dan enkele regels. Die wending is echter niet minder dan sensationeel, want nog geen zes weken na de opening van het Sobibor-proces verwisselt Schelvis zijn plaats als toehoorder op de publieke tribune voor die van 'hulp-officier van justitie' ofwel Nebenkläger in de zittingszaal.

Nadat hij zich in de wandelgangen had laten voorlichten over de rol die het Duitse strafprocesrecht aan de figuur van nabestaanden toekent, had hij de rechtbank toestemming gevraagd als 'Nebenkläger' tot het proces te worden toegelaten. Volgens artikel 397 van het Duitse wetboek van strafvordering kan, na beslissing van de rechtbank, “een slachtoffer van een strafbare daad, die geestelijk of lichamelijk verwond is, zich bij de ingediende openbare aanklacht aansluiten als mede-aanklager”. Het wetboek stelt aan zo iemand geen eisen van juridische bekwaamheid, hij of zij moet alleen voldoen aan de eis slachtoffer van de verdachte te zijn. Ook buitenlanders komen ervoor in aanmerking. De mede-aanklager heeft niet geheel dezelfde bevoegdheden als de openbare aanklager, hij draagt ook geen toga, maar hij mag naast deze plaatsnemen, hij mag bewijsstukken overleggen, vragen stellen aan getuigen en getuigen oproepen. De mede-aanklager houdt een requisitoir en moet daarin straf vorderen. Het feit dat de vrouw van Schelvis en haar ouders in Sobibor zijn omgekomen, was voldoende grond voor de rechtbank om hem als mede-aanklager toe te laten.

Op 22 augustus 1985 vorderde de Nederlandse 'Nebenkläger' Jules Schelvis levenslang tegen de kampcommandant die zijn vrouw en zijn schoonouders naar de gaskamers had gestuurd. Het bijzondere waarvan Schelvis gewag maakt was geen 'novum in de Duitse strafrechtspleging' (daarvoor komt het te vaak voor), maar was veel meer gelegen in het feit dat de rollen waren verwisseld en de voormalige kampcommandant nu in de verdachtenbank stond. Frenzel werd voor de tweede keer tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, nu niet voor de eigenhandig gepleegde moord op negen mensen (de rechtbank kon niet tot een bewezenverklaring komen als gevolg van tegenstrijdige verklaringen van getuigen), maar 'alleen' wegens medeplichtigheid aan de moord op ten minste 150.000 mensen. Twee maanden later besliste de rechtbank evenwel dat Frenzel op humanitaire gronden èn omdat hij al eerder zestien jaar gevangen had gezeten, niet meer naar de gevangenis behoefde terug te keren. De rechtbank besloot tot strafonderbreking ofwel tot invrijheidstelling.

Terughoudend

Schelvis heeft zichzelf helaas goeddeels weggeschreven: over zijn rol als neven-aanklager schrijft hij al net zo terughoudend als over zijn leven in de werkkampen, terwijl de lezer toch benieuwd is naar de vraag of hij in die ongewone rol behalve door het beginsel van rechtvaardigheid ook niet een beetje door triomfalisme werd geleid. Het is alsof de schrijver zich op het (even respectabele als betwistbare) standpunt heeft gesteld dat zijn eigen persoon voor de lezer er niet toe zou doen. Dat neemt niet weg dat zijn boek over de geschiedenis van Sobibor indrukwekkend is en buitengewoon goed gedocumenteerd, in een sobere stijl is geschreven en nergens wordt ontsierd door onzakelijke overwegingen. Het is tevens vrij van wraakgevoelens.

Het boek bevat een nauwkeurige beschrijving van het kamp, met plattegronden getekend door overlevenden en ex-bewakers. Het beruchte Kamp III met de gaskamers en de crematoria is alleen door de SS'ers, de Oekraïense knechten en de speciale commando's 'arbeidsjoden' gezien. Al deze arbeidsjoden zijn later geëxecuteerd. Betrouwbare getuigenissen zijn er dus niet meer.

Op ruim driehonderd meter van dit kamp lagen de vier andere kampen van Sobibor: een voor de arbeidsjoden, een voor de timmerwerkplaats, een voor de smederij en de barakken voor vrouwen en mannen. Die hele kampbevolking van een paar honderd gevangenen werd door een verbazingwekkend klein aantal Duitsers in bedwang gehouden: niet meer dan 25 SS-bewakers en 200 Oekraïense bewakers, die gezamenlijk in een jaar tijds 250.000 mensen hebben vermoord. De SS'ers hoefden zich niet al te zeer in te spannen; zij konden rekenen op hun overijverige, wrede Oekraïense knechten.

In zijn naspeuringen heeft Schelvis (die zijn voordeel heeft gedaan met zijn dossierkennis uit het strafproces in Hagen) een pregnant rapport opgedolven van een Transportkommando, waarin de commandant zijn beklag doet over het gebrekkige voedsel waarmee zijn wachtmeesters het tijdens een transport van Wenen naar Sobibor moesten stellen. De heren hadden niet het normale soldaten-menu gekregen maar tweederangs worst, en ook de porties waren aan de krappe kant geweest. “Door gebrek aan wagons moest de transportbegeleiding genoegen nemen met een derde-klas wagon in plaats van een tweede-klasser.” Over de 'Marschverpflegung' van de gevangenen, die vier dagen onderweg waren zonder eten te krijgen, echter geen woord.

Soms moesten gevangenen kort voor hun dood naar familie in Westerbork of kennissen schrijven, in voorgeschreven Duitse tekst die de indruk moest wekken dat ze in werkkampen waren ondergebracht. “Lieve familie, vandaag hebben we schrijfverlof. Ik wil je melden dat alles goed met me gaat. Eten en drinken goed. Ik hoop dat het je goed gaat. Doe alle kennissen mijn groeten. Ik speel elke avond op mijn fluit. De beste wensen van jullie vriend Meyer Philips.” De Joodse Raad in Amsterdam liep er in en was opgelucht dat het de joden zo goed ging in Sobibor.

Opstand

Het enige hoofdstuk dat de lezer wat gemakkelijker kan verwerken gaat over de opstand die op 14 oktober 1943 in het kamp uitbrak. Joodse Russische militairen, die met een transport joden uit Minsk in Sobibor waren terechtgekomen, hadden een opstand voorbereid die zich laat lezen als een filmscenario. Frenzel had de fatale fout gemaakt zeventig sterke Russen uit het transport uit Minsk voor de werkplaats in Kamp I te selecteren. In de eerste fase van de opstand waren reeds een tiental SS'ers en één Oekraïner in de werkplaatsen geluidloos met messen gedood toen een bewaker het lijk van de Oekraïner ontdekte, alarm sloeg en in het wilde weg begon te schieten. Er ontstond paniek onder de bewakers toen honderden gevangenen naar de poort renden en een chaos teweegbrachten die zij alleen met machinegeweren onder controle konden brengen. Honderden gevangenen vonden de dood voordat zij hadden kunnen uitbreken. Een aantal werd neergeschoten door commandant Frenzel. Van de 400 ontsnapten overleefden er maar veertig hun vlucht. Enkelen hadden intussen kans gezien de wapenkamer te forceren en zich met de wapens van de SS in vrijheid geschoten. Toch ondervindt de lezer een kortstondig gevoel van vreugde: ten minste dertien SS'ers (volgens sommige bronnen eenentwintig) werden gedood.

Een dag na de opstand was in Sobibor geen gevangene meer in leven. Wie niet was gevlucht werd doodgeschoten. Himmler raakte in paniek, nu overlevenden de buitenwereld konden vertellen wat zich in Sobibor had afgespeeld. Het kamp werd vernietigd, met de grond gelijk gemaakt. Wat zich daar had afgespeeld, moest onmiddellijk worden uitgewist. Het enige dat nog aan het vernietigingskamp herinnert is een heuvel, gevormd door de as van een kwart miljoen joden - bijeengebracht op de plaats waar Kamp III is geweest.