Opdracht voor panklaar voorstel: verlaag en verleng de eerste schijf

Wat zou u doen als u een dag minister zou zijn? Deze vraag legde de redactie economie voor aan een aantal lezers met het oog op de Tweede Kamerverkiezingen en de vorming van een nieuw kabinet. De keuze was vrij: een dag minister van Financiën of van Economische Zaken of Van Sociale Zaken. Vandaag de zesde bijdrage - van een belastingrechter.

Een minister van financiën kan op een dag maar weinig bereiken. En de omvang van dit stukje brengt mede dat slechts één punt kan worden behandeld. Daarom gaat het hier alleen over het tarief van de eerste schijf in de loon- en inkomstenbelasting.

Hoge tarieven voor belasting en premie bij lagere inkomsten (in Nederland is de marginale druk inclusief premie werknemersverzekeringen aanmerkelijk hoger dan 50 procent) voert tot een combinatie van lage netto-inkomens en hoge brutoloonkosten: de wig. Als gevolg van concurrentie van lage-lonenlanden waar ook de collectieve lasten veel minder zwaar drukken, leidt dit tot verlies van arbeidsplaatsen. Vanuit de industrie wordt wel geschat dat de brutoloonkosten in Nederland zo'n 15 procent te hoog zijn. Door de grote wig wordt ook zwart werken sterk gestimuleerd.

Verlaging van het eerste-schijftarief kan een rol spelen bij de verlaging van de arbeidskosten en de beperking van de wig, met name als verlaging van dit tarief gepaard gaat met loonmatiging, zodat de bruto-loonkosten kunnen dalen.

Als bezwaar wordt wel aangevoerd dat ook uitkeringstrekkers en AOW-ers van zo'n verlaging profiteren wat minder wenselijk zou zijn omdat het verschil tussen loon en uitkering thans te klein is en de vergrijzing van de bevolking er toe noodzaakt dat senioren een groter deel van de collectieve lasten gaan dragen. Daarom kiest men op voorstel van minister De Vries van Sociale Zaken liever voor verhoging van het arbeidskostenforfait voor werkenden. Dit forfait is thans verhoogd tot maximaal 2086 gulden en geldt zowel voor mensen die geen kosten hebben of alle kosten vergoed krijgen, als voor mensen die belangrijke bedragen aan kosten, ook zonder privé-element, voor eigen rekening moeten nemen. Op die weg kan alleen al daarom niet verder worden gegaan. Bovendien vormt de verhoging van dit forfait een belangrijke versmalling van de belastinggrondslag die op zichzelf weer tot verhoging van het eerste schijftarief leidt.

Hoe zit het precies met dat eerste-schijftarief?

Zoals bekend wordt over de basisaftrek van 5.925 gulden (bij alleenverdieners nog steeds het dubbele) geen belasting geheven. Over de eerste schijf van 43.267 gulden wordt 38.25 procent geheven, 7.05 procent belasting en de rest premies volksverzekeringen. Vanaf het 65ste jaar wordt slechts 17.45 procent over deze eerste schijf geheven. Bejaarden betalen immers niet de 14.25 procent AOW-premie en 6.55 procent AAW-premie. Wel betalen zij net als andere Nederlanders 8.55 procent AWBZ-premie. Daarmee komen zij er goedkoop af want het is algemeen bekend dat de AWBZ-uitkeringen voor bejaarden een veelvoud bedragen van die voor personen onder de 65 jaar. Hetzelfde geldt overigens voor de ziektekostenpremies. Via deze premies betalen personen beneden de 65 jaar zelfs een speciale belasting waaruit de tekorten op een ziektekostenverzekering voor bejaarden worden gefinancierd. Deze gang van zaken berust op de solidariteitsgedachte, in dit geval de solidariteit tussen jong en oud.

Voor Nederlands inkomen van buitenlanders geldt een eerste-schijftarief van 25 procent. Er wordt thans geprocedeerd over de vraag of voor hen het 7.5 procent tarief moet gelden omdat een buitenlander in beginsel niet verzekerd is voor de volksverzekeringen.

De commissie Stevens stelde enkele jaren geleden onder meer voor het eerste-schijftarief van toen 35 procent te verlagen tot 33.6 procent en de eerste schijf te verlengen. Zo'n verlenging maakt het mogelijk het premiebestanddeel van het eerste-schijftarief over een groter inkomenstraject uit te smeren zodat het tarief kan dalen. Ook werd voorgesteld het inkomensbegrip te verbreden.

Regering en Staten-Generaal deden echter precies het omgekeerde en verhoogden het tarief van 35 procent tot thans ruim 38 procent. In gemeen overleg werd de eerste schijf verkort door drie maal de inflatiecorrectie ook met betrekking tot deze schijf niet toe te passen. Alleen hierdoor steeg het eerste-schijftarief al met 1.25 procent. Verder werd de belastinggrondslag versmald, niet alleen door verhoging van het arbeidskostenforfait, maar ook door vrijstelling van kamerverhuur, spaarloonregelingen, etc. Kortom het eerste-schijftarief werd een sluitpost van uitgaven- en belastingbeleid waarbij het belang van een laag eerste-schijftarief nauwelijks een rol speelde. De oorzaak hiervan zal wel zijn dat verlaging van het eerste-schijftarief 2.5 miljard per punt kost. Voor dat geld kunnen prachtige plannetjes worden bedacht waarmee het goed scoren is, maar waardoor de aandacht van de hoofdzaak wordt afgeleid.

Dit maakt duidelijk dat als concreet beleidsdoel een laag tarief voor de eerste schijf moet worden aangekondigd. Ik kies daarbij voor 30 procent. Daar moet in een beperkt aantal jaren naar toe worden gewerkt. Meevallers, opbrengsten van uitgavenbeperkingen, verschuivingen naar milieubelastingen, balansverkortingen en grondslagverbredingen dienen in de eerste plaats voor dit doel te worden aangewend.

De lengte van de eerste schijf (thans 43.267 gulden) dient elk jaar te stijgen met tenminste het dubbele van de inflatie tot de loongrens voor de sociale verzekering is bereikt. Indien de inflatiecorrectie achterwege blijft wordt deze toch, en dubbel, toegepast op de lengte van de eerste schijf. Ook dit draagt bij aan de financiering van het 30 procent-tarief.

Het koopkrachtvoordeel voor uitkeringstrekkers dat uit de tariefverlaging voortvloeit, wordt aangewend voor verlaging van de uitkeringen.

Er is echter nog iets anders. Het is naar mijn oordeel onvermijdelijk dat het gehele eerste-schijftarief op den duur als belasting wordt geheven en niet meer goeddeels als premie. Teneinde de lasten van de volksverzekeringen binnen de perken te houden wordt de opbrengst van de eerste schijf op dezelfde wijze als thans doch in de vorm van rijksbijdragen ter beschikking van de verschillende fondsen gesteld ter financiering van de AOW-uitkeringen, etc. Problemen met het bejaardentarief en met het tarief voor buitenlanders met Nederlands inkomen worden daardoor beheersbaar.

Het 30%-tarief moet uiteindelijk ook gaan gelden voor buitenlanders en bejaarden.

Dat kan natuurlijk niet ineens. Voor bejaarden blijft echter ook bij verlaging van het tarief tot 30 procent, het bejaardentarief minimaal gelijk aan het huidige tarief van 17.45 procent. De dragende gedachte daarbij is dat van bejaarden zowel op grond van het profijt dat men van de regelingen heeft als op grond van de solidariteit tussen jong en oud in elk geval een hogere bijdrage voor de AWBZ en ziektekostenuitkeringen mag worden verwacht en op den duur ook een bijdrage voor de financiering van de AOW-uitkering. Die zelfde solidariteit houdt in dat de AOW-uitkering in grote lijnen op het huidige niveau gehandhaafd blijft. Indien op dit vlak verdere kostenbeperkingen nodig zijn dienen deze te worden gevonden in beperkingen in de rechten op aanvullende pensioenen, bijvoorbeeld door de fiscale pensioendefinitie aan te scherpen.

De hier ontwikkelde gedachten zijn bepaald niet nieuw. De tijd is echter rijp; de omstandigheden dwingen er toe deze suggesties verder uit te werken en om te zetten in panklare voorstellen. Als minister zou ik daar vandaag nog opdracht voor geven.