NOB-logo verrast Duitsers: 'Die Holländer kommen'

HILVERSUM, 30 APRIL. Die Holländer kommen. Alsof het werving van de Landmacht betrof, zo illustreerde onlangs het tv-programma Kulturreport op het tweede Duitse net de invasie van de Nederlandse audiovisuele bedrijfstak. Beelden van presentatrice Linda de Mol, entertainment-bazen Joop van den Ende en John de Mol, flitsende reportagewagens, ronkende helikopters.

Het oprukkende materieel droeg een NOB-beeldmerk. Sinds vorig jaar is het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf voor de Duitse commerciële tv ook in het land zelf operationeel. Nabij Keulen heeft NOB Deutschland een studio in gebruik genomen waarin het inmiddels met 120 man aan vijf produkties werkt.

Pieter Porsius, president-directeur van het NOB, kan een glimlach niet onderdrukken als hij de videoband weer afspeelt. Al is de Duitse reportage wat zwaar aangezet, de boodschap spoort met zijn intenties. Na de sanering van het NOB, wat het bedrijf vijf jaar achtereen omzet kostte en ruim duizend banen, is winstherstel bereikt en lijkt de weg naar nieuwe inkomstenbronnen gevonden.

Porsius mikt op groei in het buitenland, in de commerciële (omroep) en zakelijke (commercials, bedrijfs-tv) sector. “Markten waar we nog onvoldoende inzitten en die sterk groeien.” Via deelnemingen en dochterbedrijven genereert het NOB inmiddels ook zo'n 40 miljoen gulden omzet in nieuwe activiteiten als satellietcommunicatie, breedbeeld-tv, interactieve media en studioverlichting.

De traditionele Nederlandse markt voor radio- en tv-produkties, waarop 's lands grootste facilitair bedrijf het leeuwedeel van zijn 362 miljoen gulden omzet boekt, is verzadigd. Een macht aan concurrenten zorgt voor aanhoudende prijsdruk, zodat margeverbetering alleen kan komen uit kostenbesparing. Bovendien staat de vraag naar audiovisuele diensten onder druk. “Er is een trend naar goedkopere programma's”, signaleert Porsius. “Uitzendingen met balletten en orkesten komen bijna niet meer voor.”

Dat betekent niet dat het NOB die markt verwaarloost. Porsius: “Wij moeten het hebben van de complexe produkties, die grote studio's en alle disciplines vergen. Op die markt bedraagt ons aandeel 70 tot 80 procent.” Ook het segment daaronder, waar het NOB honderden mededingers treft die bedreven zijn in 'één-cameratechniek' en eenvoudige videomontage, is onmisbaar. “Daarvan pakken we 30 tot 40 procent.”

Met dumpprijzen, zoals de concurrentie roept? “Nee”, zegt Porsius, “want dan hadden we in '93 niet 18 miljoen gulden winst geboekt.” Concurreren doet hij via 'volumedeals', moderne faciliteiten, en kapitaliserend op opgebouwd vertrouwen. Niettemin: “Als je te duur bent, gaat de deur dicht, hoor.”

De noodzakelijke groei van omzet en resultaat, waarmee de onderneming het track record wil opbouwen dat de overheid (feitelijk eigenaar van het in 1988 verzelfstandigde NOB) in staat stelt tot privatisering over te gaan, ligt op tot dusver spaarzaam betreden markten. Nieuwe afnemers, zoals bedrijven en commerciële tv-stations, hebben het NOB wel ontdekt, maar er is meer te halen, meent Porsius. In Duitsland verwacht hij, nu het NOB er een eigen studio heeft, binnen drie jaar 20 procent van het werk voor de commerciële televisie binnen te halen, goed voor enkele tientallen miljoenen omzet. “Wij draaien soms twee keer zo snel als de Duitsers.”

Daarnaast voelt hij voor het Amerikaanse model, waarbij studio's volop deelnemen in film- en tv-produkties. Het NOB beproefde die structuur al met succes via financiële participatie in de serie Medisch Centrum West. Zo'n deelneming zal, wat Porsius betreft, altijd een minderheid bedragen en nooit de waarde van zijn facilitaire diensten overschrijden. Daarmee houdt hij andere producenten - klanten immers, liever geen concurrenten - te vriend en het risico beperkt.

Nadere invulling van het idee onderzoekt het NOB momenteel met Amerikaanse producenten. Die zouden al te Amerikaanse comedies in de NOB-studio's geschikt kunnen maken voor de diverse Europese landen. Porsius: “Wij kunnen onze ervaring met industrieel produceren inbrengen. Met kleine aanpassingen - een Duitse telefoon, een Deense telefoon - kan je een en dezelfde set heel efficiënt benutten.”

    • Hans Wammes