Meerkoet

Alles wat mooi is, is afhankelijk van het licht waarin het wordt bezien, en als het op licht aankomt, is er nog altijd niets dat in de schaduw kan staan van een vroege voorjaarszon. Dit licht geeft zelfs een meerkoet wel wat moois.

Ik heb nooit een zwak voor meerkoeten gehad. Ik heb ook nooit begrepen waarom zij meer koet zouden zijn dan andere koeten. Maar op een gegeven moment ben ik geïntrigeerd geraakt door hun manier van zwart zijn. Sindsdien bekijk ik ze onwillekeurig met een zekere mildheid.

Niet het onverbiddelijke zwart van kraaien, hoewel daar ook veel voor te zeggen valt, maar zwart met een onmiskenbare warmte, een fluwelen vleug. Het parelt een beetje, het zweemt naar donkergroen.

Dit zwart is niet alleen maar buitenkant. Een meerkoet houdt ervan, hij wordt erdoor bezield, hij wil zijn zwart perfect. Want dan ligt hij op het water en dan zit die witte plek op zijn kop, net een plastic plakkertje, en dan zie je hem almaar bezig om die kleine smet weg te pikken uit zijn spiegelbeeld.

En wat het chagrijn van meerkoeten betreft: in het Bredius was er een in gevecht met een blauwe reiger. Hij sprong een meter hoog om die reus, die het op zijn nest had voorzien, zijn klauwen te presenteren.

Het park in volle bloei, het zachte schijnsel van de zon, een koet met leeuwemoed.