Krab

Op de grote steen die zo'n vier meter onder het terras ligt, zitten meestal twee krabben, zo ver mogelijk uit elkaar, want krabben zijn achterdochtig. En met reden, maar daarover later meer. Ze maken eetbewegingen in het zwartgroene mos dat op de steen groeit en af en toe klotst er een golf over ze heen. Dat moment, dat overspoelen, voelen ze, of horen ze, van te voren aankomen, net als de papegaaivis met de gele staart, die vlak voor diezelfde steen in zee zwemt, dat voelt. Hij laat zich gevaarlijk meevoeren tussen de stenen over plekken die als er veel water wegloopt, wel eens droogvallen, maar hij weet handig aan dat watergebrek te ontkomen door een snelle slag met zijn gele staart (normaal zwemt hij met zijvinnen), die dan boven het oppervlakte uitzwaait, als een vlag. Van alle vissen eten slechts het zwarte slijmvisje en de stoplichtpapegaaivis zo dicht aan de oppervlakte van de stenen en de koraal. De laatste is zowel rood (en zwart) als groenblauw, in het laatste geval met de gele vlek op de staart en waarschijnlijk door die kleurfasen de stoplichtpapegaaivis genoemd. Zijn uiterlijk is zo prachtig getekend, dat hij slechts zelden als voedsel voor de mens dient: men vindt hem gewoon te mooi en zo vormt zijn uiterlijk een prachtig afweermiddel tegen de mens, want mooie dieren, in onze ogen mooi dan, worden het beste en het meeste beschermd. Lelijkheid of een eng uiterlijk helpt daarentegen niet tegen de menselijke eetlust, denk maar aan kikkerbillen, kreeft, oesters, aal, inktvis en het zwijn. Toch eten we geen rat, hoewel onze zuiderburen het waterkonijn wel op de kaart hebben. En ook de hond komt in China gewoon op tafel, niet om te eten, maar om gegeten te worden. Zie ook Broodje Aap. Ik kwam gisteren overigens onder water een enorme kreeft tegen - die hier hebben geen scharen - en ik vond hem behoorlijk angstaanjagend (dat is bij mij, onder water, trouwens nogal snel).

Als ik over de rand van het terras naar beneden kijk, verstijven de krabben en vluchten de papegaaivissen weg, hoewel ik ruim vier meter ver ben. Je weet maar nooit, denken ze. Of ze verwarren me met de fregatvogel, maar die komt zelden zo dichtbij de mensen foerageren.

Hij is er overigens wel, 100 meter verderop, in gezelschap van een bruine noddy en een lachstern. Alle drie zijn ze bezig te vissen in een door grotere vissen opgejaagde school masbangu's, die zich uit het water verheft om de aanval van onderen te ontlopen, en zo in de val loopt van het voornoemde drietal, maar dan wel als er net eentje naar de waterspiegel duikt. De vogels letten minder op de vis dan op elkaar. Afpakken is leuker dan zelf vangen. Het lijkt op het dilemma van de sur place: ga je op kop, dan heeft de ander de slipstream. Vang je een vis, dan hoeft de ander hem maar uit je bek te pakken of in je vleugel te bijten, zodat je hem laat vallen en de derde er mee heen vliegt.

Ook de krabben hebben een onderlinge strijd. Op de grote steen onder het terras zitten al een tijdje een grote en een kleine. Ze zitten aan de uiteinden van de steen, zodat ze mekaar niet kunnen zien. Zo worden ze ook niet zenuwachtig, en zo hoeven ze geen strijd aan te binden. De grote zit links, de kleine rechts. Ze eten rustig en ze houden zich vast tegen het overspoelende water.

Vanaf de landzijde nadert nu een grote krab. Behoedzaam kruipt hij als Eliza's vlucht maar dan langzamer van steen op steen, tot hij bij de grote komt die er al zat. Daar aangekomen veroorzaakt hij consternatie. De grote op de steen verstijft eerst en neemt daarna de benen. Hij kan maar een kant uit: richting kleine, die nu opeens zijn dikke rivaal boven de horizon ziet verschijnen. Er is voor de kleine geen steen meer over, hij moet naar een andere steen, die wel 20 cm. ver ligt. Tot mijn verbazing springt hij met gemak over het tussenliggende water.

De twee anderen houden stil. Nu zit de dikke nieuwkomer links, de andere rechts. De kleine heeft het veld moeten ruimen, vanwege de ruzie van de groten.

Bij al deze escapades houden ze mij ook nog in de gaten. En ik hun dus, hoewel dat moeilijker is dan men zou denken, want als ik even ben weggeweest en weer ga kijken, lijkt het alsof ze er niet meer zijn, hoewel ze op precies dezelfde plek zitten, zo vallen ze weg in de achtergrond.

In de hoek, gevormd door het terras en de rots, vol in de zon, naast de plek waar een soort langwerpige vetplant vol kleine dikke blaadjes in een twee meter lange tros tot op het water hangt, zie ik een bruine krab, meer de kleur die wij kennen. Hij reageert niet op mijn komst, en omdat ik weet dat krabben van brood houden, gooi ik een stukje vlak naast hem.

Hij verroert zich niet en zijn poten steken aan een kant een beetje in de lucht. Een slecht teken. Het steentje dat ik daarna op hem gooi doet zijn schild hol klinken. De dood is ingetreden en voordat de dag om is, is hij opgegeten door soortgenoten, beentjes, schild en al voor zover ik kan zien. Of ze zijn in het water gevallen.

Als ik de volgend morgen op zijn plekje kijk, zijn oude plekje, scharrelt zijn eter bescheten weg. Zo lijkt het althans, maar het gedrag van de krab tegenover de mens is altijd bescheten. Ze mogen ons gewoon niet, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de grote barracuda, de koffervis, de doktersvis en de palometa die allemaal nieuwsgierig naar ons zijn, mits te water. ze willen kennelijk kijken hoe we zwemmen, zo ongelukkig als het ook gaat. We horen daar niet en dat vinden ze vreemd.

Maar op het land horen we ook niet, vindt de krab. Absoluut niet.

    • van Lennep