Koloniale blunders in Afrika

A.A.J. van Bilsen: Kongo 1945-1965: Het einde van een kolonie 283 blz., geïll., Davidsfonds-Leuven 1993, Importeur Sartorius, ƒ 44,95

Het koloniale bezit van België was betrekkelijk klein en geconcentreerd in één continent. Koning Leopold II stichtte in 1885 de Onafhankelijke Kongostaat. Tot 1908 was dat zijn privé-bezit, daarna werd het Belgiës enige echte kolonie. Rwanda en Burundi waren oorspronkelijk Duits bezit, na de Eerste Wereldoorlog bestuurde België beide koninkrijken als mandaatgebied.

Begin jaren zestig werden de Belgische kolonies onafhankelijk. Zij bezetten nu topplaatsen in het rijtje van Afrikaanse probleemlanden. In Rwanda slachten Tutsi's en Hutu's elkaar af na de moord op president Juvenal Habyiramana op 6 april jl. Ook in Burundi hoeft maar weinig te gebeuren of diezelfde twee etnische groepen richten een bloedbad aan. En Zaïre, het voormalige Congo, raakt Mobutu Sese Seko maar niet kwijt.

Jef van Bilsen is voormalig Koninklijk Commissaris voor de Ontwikkelingssamenwerking in België en emeritus hoogleraar Ontwikkelingsproblematiek aan de universiteit van Gent. Deze 81-jarige progressieve katholiek is altijd een spraakmaker en voor velen een inspirator geweest. Vorig jaar verschenen zijn memoires: Kongo 1945-1965. Het einde van een kolonie. Bij de behandeling van de vraag wat het Belgisch koloniaal beleid aan de huidige malaise heeft bijgedragen geeft Van Bilsen nu eens een expliciete antwoord, dan weer moet men dat tussen de regels zoeken.

Zijn belangrijkste kritiek is dat België zijn kolonies buitengewoon slecht voorbereidde op hun onafhankelijkheid. In zijn memoires staat hij uitvoerig stil bij zijn in 1955 gepubliceerde 'Dertigjarenplan voor de politieke ontvoogding van Belgisch Afrika'. Dat plan was geenszins revolutionair. De auteur bekent toentertijd zelf ook moeite te hebben gehad met het idee van volledige dekolonisatie en scheiding. Het ging hem meer “om stappen naar emancipatie en autonomie. (...) Zelfbeschikking onder de Kroon zou wellicht een elegantere oplossing zijn.”

Tsjombe

Het plan van Van Bilsen werd de aanzet tot een ommekeer in Belgiës koloniale politiek. Zijn tegenstanders in België schilderden het aanvankelijk af als “al te stoutmoedig en onrealistisch”. De regering in Brussel riep Van Bilsen ter verantwoording, maar de Katangaleider Moïse Tsjombe noemde hem 'een profeet'. De onafhankelijkheid van Congo, Rwanda en Burundi waren in België toen nog volledig taboe. Toen die onafhankelijkheid enkele jaren later toch een feit werd, kregen de leiders van de drie landen alleen tijd om verkiezingen voor te bereiden en een regering aan te stellen. Vooral in Congo wreekte zich dat. Daar “was het autoritair - men mag zelfs gewagen van totalitair - gecentraliseerd blank koloniaal stelsel tot enkele maanden vóór de onafhankelijkheid in voege gebleven.”

Een tweede negatieve factor was het ontbreken van hoger opgeleid Afrikaans kader. De Belgische koloniale autoriteiten waren tegen hoger onderwijs uit angst voor agitatie en onrust. In 1956 studeerde vijftien zwarten uit Belgisch Afrika in België, terwijl alleen al uit Frans West-Afrika 1.300 studenten in Parijs en andere Franse steden verbleven. België dekoloniseerde “zonder intensieve kadervorming, integratie van inheemse gediplomeerden in de administratie, het gerecht of het leger, en ten slotte ook zonder maar enige aanzet tot autonomie.” Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland hadden wel een inheemse elite opgeleid. Burundi en Rwanda, beide ongeveer even groot als België, komen in de memoires minder uitvoerig aan bod dan de 'uitbatingskolonie' Congo. Zaïre is tachtig keer groter dan het moederland en onnoemelijk veel rijker aan bodemstoffen. Daar komt bij dat de Verenigde Naties toezicht hielden in Rwanda en Burundi, immers allebei mandaatgebieden. België gedroeg zich daar netter.

Van Bilsen meldt in zijn memoires niet dat België weinig deed om de tegenstellingen tussen de heersende Tutsi's en gedomineerde Hutu's in Rwanda en Burundi te verzachten. Het bestuurde beide gebieden zo lang mogelijk via de Tutsi-koningen. De auteur verhaalt wel dat België weinig respect voor deze vorsten aan de dag legde. Toen hij vlak na de Tweede Wereldoorlog als journalist prins-regent Karel vergezelde op een bezoek aan Rwanda en vorst Rudahigwa de Belgische hoge gast bij de grens van zijn rijk opwachtte, liet prins Karel de vorst staan om eerst Europees te gaan lunchen. Van Bilsen nam de Rwandese koning toen maar mee naar een plaatselijk restaurant. Later reikte prins Karel Rudahigwa een onderscheiding uit, een ceremonie die “nog geen vijf minuten in beslag nam”.

Segregatie

Kongo 1945-1965: Het einde van een kolonie is een gedetailleerd en nauwgezet geschreven boek. Soms worden feiten opgesomd die vooral interessant zijn voor geschiedvorsers, maar vaak ook is het boeiende en leerzame literatuur. In het eerste van de drie delen beschrijft Van Bilsen zijn jaren als correspondent in Afrika. In Leopoldville, het latere Kinsjasa, was hij in 1946 en 1947 hoofd van het persbureau Belga. Op de officiële recepties en banketten, waar hij beroepshalve kwam, ontmoette hij niet één zwarte Afrikaan. De segregatie was waterdicht “in die zin dat alle zwarten de blanke wijk vóór zonsondergang moesten verlaten, tenzij ze een pasje van hun werkgever konden tonen.” Apartheid avant la lettre.

In het tweede deel komt de periode aan de orde waarin de auteur persoonlijk adviseur werd van nationalistenleider Joseph Kasavubu, Congo's eerste president. Dit is het boeiendste deel. Van Bilsen was rechtstreeks betrokken bij de verwijdering tussen president Kasavubu en eerste minister Patrice Lumumba. De laatste werd door het Westen verdacht van communistische sympathieën. In 1961 moest Van Bilsen, wegens zijn nauwe banden met Kasavubu en op beschuldiging van Lumumba dat hij samenspande met de 'imperialisten', Congo hals over kop verlaten.

Het derde en laatste deel beslaat de periode waarin België overschakelde van koloniale politiek naar handel en hulp voor zijn ex-kolonies. Een van de vele punten van discussie is, net zoals in Nederland, of Ontwikkelingssamenwerking moet worden bemand door een minister of door 'slechts' een staatssecretaris.

Van Bilsen concludeert dat België 's werelds slechtste koloniale macht was, slechter dan Nederland, Frankrijk of Groot-Brittannië. In Zaïre is dat duidelijker merkbaar dan in Rwanda en Burundi. In de laatste twee landen waren Hutu's en Tutsi's wellicht ook met elkaar slaags geraakt als er nooit een Belg een voet in Midden-Afrika had gezet.