Jemen, land van miljoen kolonels, valt uit elkaar

Het huwelijk dat Noord- en Zuid-Jemen vier jaar geleden sloten in naam van hun lotsbestemming en van de Arabische eenheid, is op de klippen gelopen. Hun steeds heftiger gekrakeel ontaardde woensdag - op de kop af één jaar na de eerste democratische verkiezingen in de geschiedenis van de twee zo plechtig verenigde Jemens - in een grootschalige tank- en artillerieslag bij de stad Omran, 60 kilometer ten noorden van de hoofdstad Sana'a.

De dag daarop werd de strijd tussen de noordelijke en de zuidelijke eenheden voortgezet. Volgens de verschillende lezingen zouden honderden doden zijn gevallen en de zuidelijken zijn verslagen - precies als op 20 februari, toen zij eveneens van de noordelijke troepen en de met hen verbonden stam-milities een pak slaag kregen. De strijd kreeg gisteren een vervolg in Zuid-Jemen, waar in Abyan, 50 km ten oosten van Aden, en in Lahej, 100 km ten oosten van Aden, noordelijke eenheden werden aangevallen. In Abyan raakten de zuidelijken en de noordelijken in februari ook al slaags.

Bij de meeste burgeroorlogen weet men pas achteraf of ze écht zijn uitgebroken. Ook in Jemen heeft men elkaar nog steeds niet openlijk de oorlog verklaard, maar men is er wel heel dichtbij door officieel mede te delen dat de anderen oorlog aan het voeren zijn.

President Ali Abdullah Saleh heeft herhaaldelijk gezegd dat hij tot het uiterste bereid is, zelfs zijn eigen aftreden, om het verenigde Jemen te redden. Onlangs verklaarde hij via de in Sana'a verschijnende media dat hij geen middel zou schuwen “de Bende van Vier” (vice-president Ali Salem al-Beidh, premier Haider Abu Bakr al-Attas en twee andere hoge politici uit het zuiden) onschadelijk te maken. Hij zou hun pogingen om Zuid-Jemen weer af te scheiden desnoods met geweld in de kiem smoren. Maar ook hij is onzeker of die eenheid met militaire middelen opgelegd kan worden. Daarom herhaalt hij voortdurend dat hij en zijn partij, het Algemeen Volkscongres, niet in conflict zijn met Zuid-Jemen en ook niet met de aldaar heersende Socialistische Partij, maar uitsluitend met een paar politici uit Aden.

Dat klinkt mooi, maar het is niet waar. De burgers in Aden, die over het algemeen beter ontwikkeld en moderner georiënteerd zijn dan hun landgenoten in het noorden, hebben van de vereniging niet veel positiefs gemerkt. De gezondheidszorg van weleer is ingestort en de sociale voorzieningen op iets langere termijn zijn ingeklapt. Daar tegenover staat dat de sluier voor de vrouw en de polygamie voor de man zijn geherintroduceerd en dat het verbruik van qat (een stimulerende drug) aanzienlijk is toegenomen. In het onafhankelijke Zuid-Jemen was het kauwen van qat alleen op donderdag en vrijdag toegestaan, nu mag dat elke dag. De verbouw van de zeer winstgevende qat-plant heeft in het zuiden een grote vlucht genomen sinds de vroegere staatsboerderijen, aan wie het was verboden qat te verbouwen, geprivatiseerd zijn. Intussen is er sprake van een hollende inflatie van honderd procent die niet door de overheid met salarisverhogingen wordt gecompenseerd.

Onder die omstandigheden is het voor Ali Salem al-Beidh, ex-marxist maar tevens regelrecht afstammeling van de profeet Mohammed, gemakkelijk zich van de volksgunst te verzekeren tegen de mensen van het Boze Noorden. Het is evident dat hij, zonder het alsnog te zeggen, op afscheiding uit is. Dus zullen de schermutselingen onherroepelijk in een regelrechte burgeroorlog uitmonden.

Een oplossing is niet in zicht omdat het zuiden militair zwakker is, maar veel beter georganiseerd, terwijl het daarnaast over sterke politieke en financiële troeven beschikt. Zuidelijke politici zouden zich verzekerd hebben van de welwillende steun van Oman, Saoedi-Arabië en Koeweit, die geen belang hebben bij een verenigd en dus sterk Jemen. Op het Arabische Schiereiland wil dan ook niemand nog een dinar zetten op een verzoening tussen de twee Ali's.

De vooruitzichten dat Jemen vreedzaam uiteen valt en niet door een alles vernietigende oorlog naar het voorbeeld van Somalië verscheurd wordt, worden met de dag ongunstiger - zeker nu de economie zich in een steile duikeling bevindt en er steeds meer bloed vloeit dat volgens de aloude tradities gewroken moet worden. Niet minder onheilspellend is dat alle eerder gemaakte afspraken tussen de twee Ali's over decentralisatie van het bestuur, controle over de financiën en herstructurering van de strijdkrachten, al een dag later vodjes papier bleken te zijn geworden. Hun laatste ontmoeting op Paaszondag in Oman leverde zelfs geen vodje papier meer op, alleen een omarming voor de Omaanse televisie en gewapende schermutselingen enkele dagen nadien.

Hun laatste plechtige afspraak werd op 20 februari in de Jordaanse hoofdstad Amman getekend in aanwezigheid van talloze buitenlandse getuigen om de gebeurtenis meer gewicht te geven. Een paar honderd buitenlandse en Jemenitische dignitarissen waren present, onder wie koning Hussein, die bijna met lijfelijk geweld president Ali Abdullah Saleh moest dwingen zijn gehate vice-president in de armen te sluiten. Het stuk dat zij tekenden, bevestigde onder andere dat de strijdkrachten gereorganiseerd moesten worden door de minister van defensie, een Zuidjemeniet krachtens de fusie-overeenkomst van 1990.

Dat was een wat al te idealistische taakstelling omdat president Ali Abdullah Saleh zijn (betrekkelijke) macht ontleent aan de mogelijkheid vele duizenden personen op papier een militaire loopbaan te bieden. In werkelijkheid staan velen van hen alleen op de loonlijst van het ministerie van defensie en zijn in ruil daarvoor buitengewoon loyaal aan de president. Als de minister uit Zuid-Jemen de afgesproken militaire reorganisatie inderdaad zou uitvoeren, zou Ali Abdullah Saleh binnen de kortste keren geconfronteerd worden met een rebellie in eigen kring. Zijn eigen presidentiële garde telt namelijk alleen al 30.000 man. Niet voor niets zeggen de Jemenieten dat hun land “het land is van de miljoen kolonels.”

Maar Jemen is nog meer het land van de stammen. In geen Arabisch land zijn de stammen op politiek en militair gebied zó machtig, dat hun milities de strijdkrachten van de staat overtroeven. In Noord-Jemen, waar het overgrote deel van de mannen op zijn minst over een kalasjnikov beschikt en waar men op de open markt zelfs zijn eigen mortieren en pantserwagens kan kopen, was dat altijd al zeer zichtbaar. De overheid kan in Noord-Jemen uitsluitend opereren, als zij de steun krijgt van zeker één van de stamfederaties. In het stalinistische Zuid-Jemen daarentegen bleven de stammentegenstellingen verstopt onder de marxistische ideologie, totdat in januari 1986 de machthebbers in de havenstad Aden met elkaar in conflict kwamen en hun stamgenoten bij de kortstondige oorlog betrokken, waarbij zeker tienduizend doden vielen.

Die interne, bloedige afrekening luidde vier jaar later het eind in van de socialistische staat Zuid-Jemen. De steeds machtelozer Sovjet-Unie verloor haar interesse in het tot dan strategisch belangrijke Aden. Als gevolg kreeg het economisch noodlijdende Zuid-Jemen niet langer de benodigde financiële steun. Zo werden de Zuidjemenitische machthebbers tot een huwelijk gedwongen met hun Noordjemenitische buurman, die zij als feodaal, achterlijk en tot op het bot corrupt beschouwden. Het was de enige mogelijkheid om hun macht over Zuid-Jemen, al was het maar gedeeltelijk, te behouden.

Zij zouden de bruidegom zeker niet hebben geaccepteerd als ze toen hadden geweten wat ze nu weten: dat Zuid-Jemen, en met name de provincie Hadramaut, over grote oliereserves beschikt, veel groter dan die in Noord-Jemen. Zij werden pas na de eenwording ontdekt. De 'Bende van Vier', waartoe ook de minister van oliezaken behoort, is afkomstig uit de Hadramaut en eist voor Zuid-Jemen 30 procent van alle olie-inkomsten uit geheel Jemen - waartoe de noordelijke politici niet bereid zijn, omdat het noorden bijna 12 miljoen inwoners telt tegen het Zuiden slechts 2,4 miljoen.

Toch heeft het bestuur in Aden de in Zuid-Jemen opererende Westerse oliemaatschappijen enige tijd geleden verzocht al hun gegevens aan het filiaal van het ministerie van oliewinning en -exploratie in Aden te sturen en niet naar het hoofdkantoor in de hoofdstad Sana'a. Van haar kant besloot de regering de uit het zuiden afkomstige diplomaten in de ambassades in het buitenland geen salaris meer te betalen. Tegelijkertijd hebben alle partijen zich de laatste acht maanden als razenden bewapend. Volgens één schatting zou er sinds augustus vorig jaar voor 200 miljoen dollar aan wapens zijn geïmporteerd.

Als Zuid-Jemen weer op zichzelf zou komen te staan, zou het land met de aldaar gewonnen olie (340.000 vaten olie per dag) een stuk leefbaarder worden. Maar dat betekent afscheiding óf het accepteren door Noord-Jemen van een veel losser staatsverband. In het laatste geval zou het verenigde Jemen een federatie of een confederatie van staten worden met hun eigen inkomsten.

President Ali Abdullah Saleh voelt daar niets voor. Hij wil niet alleen de olie-inkomsten van Zuid-Jemen, maar ook de politieke steun van de Zuidjemenieten tegen de steeds sterker worden Islah, de streng islamitisch georiënteerde partij van de voorzitter van het parlement, sjeik Abdullah al-Ahmar. Bovendien verzetten de broers en de halfbroers van Ali Abdullah Saleh, die hoge posten hebben in het leger en bij de veiligheidsdiensten, zich tegen elk compromis dat de macht van de centrale regering - en daarmee hun macht - zou inperken.

Machteloos ziet de Jemenitische bevolking het onheil van de burgeroorlog naderen. En in haar frustraties is zij slechts van één ding overtuigd: dat Amerika, Engeland en Saoedi-Arabië - ieder alleen of gezamenlijk - via Jemenitische tussenpersonen het uiteenvallen van Jemen bewerkstelligen.

    • Michael Stein