'Ik heb wel gedacht: houdt het dan nooit op?'

De malaise bij de politieke partijen doet hem sterk denken aan de tweede helft van de jaren zestig. Het CDA-electoraat kijkt volgens lijstaanvoerder Elco Brinkman de kat uit de boom. Aan hem de opdracht om te overtuigen, om draagvlak te creëren en de juiste nestgeur te verspreiden. Vast staat dat hij 'gebutst' is. 'Je moet er tegen kunnen dat er constant aan je stoelpoten wordt gezaagd.'

Hij noemt het zelf een “misschien wat eigenaardige hobby”. Maar Elco Brinkman, sinds januari de leider van het CDA, doet eigenlijk niets liever dan planologische schetsjes maken. “Als ik naar al die bebouwde polders kijk, dan denk ik: je zou toch veel meer gezelligheid en contact kunnen organiseren. Dat doe ik dus heel vaak voor mezelf met een stuk papier, daar kan ik echt van genieten. Dan ben ik gewoon tijden aan het pielen met de indeling van een woonwijk. Kijk, een van de charmes van historische steden, of dat nou Petersburg, Amsterdam of Leiden is, was dat men in een dichte opeenhoping ook iets organiseerde van menselijk contact. Vergelijk nu eens een willekeurig volgebouwd poldertje met de centra van oude steden. Dan denk ik: het is toch niet alleen maar een kwestie van hier en daar een grote woontoren neerzetten, waar vroeger de kerktoren het accent verzorgde, en daaromheen wat platte schijven? Probeer ook eens na te gaan wat in het algemeen mensen trekt. Dat zijn niet alleen besloten pleinen, maar dat is ook een combinatie van verschillende soorten werk. Het nadeel van veel van die poldertjes is, dat het alleen maar slaapwijken zijn. Ik bedoel: het heeft te maken met mijn hoofdzorg. Dat is die grote groep mensen die de algemene toegenomen welvaart niet meemaakt, doordat ze weggeschoven zijn geraakt. Die moeten er bij getrokken worden. Het gevoel van erbij horen heeft echter niet alleen te maken met de hoogte van je uitkering, maar begint al met het simpele bouwen.”

In de buurt beantwoordt een van de campagnemedewerkers een telefoontje, de lucht is gevuld met het geluid van piepende semafoons, gerinkel van serviesgoed en pratende journalisten. De CDA-touringcar, voorzien van bar, WC, televisie, telefoons en telefax, toert voort op weg naar een van de 150 programma-onderdelen die lijsttrekker Brinkman de afgelopen drie weken afwerkte in zijn slot-offensief om de kiezer terug te winnen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen leed de partij een gevoelig verlies, sindsdien schommelt het CDA, dat nu nog 54 zetels in de Tweede Kamer telt, in de peilingen tussen de 29 en 33 zetels.

Een gesprek met de CDA-leider kan alleen plaatshebben in die bus, zo bepaalde Brinkmans media-adviseur Wester enige weken tevoren. Dus spreekt Brinkman tussen Zwolle en Assen, tussen Den Haag en Apeldoorn en tussen Apeldoorn en Leiden. Af en toe onderbreekt hij zijn eigen woorden om bijvoorbeeld de aandacht te vestigen op twee fietsers die over een spoorweg klauteren (“Kijk eens, wat gevaarlijk”) of om elders in de bus ruggespraak te houden met Wester over een volgend programma-onderdeel.

Mr. drs. Leendert Cornelis Brinkman (46) wilde ooit architect worden (“een mannelijk beroep”), later burgemeester, net als zijn vader (“zoals veel zoons de neiging hebben het vak van hun vader te kiezen”). Zijn carrière ziet eruit alsof hij zijn leven lang in opleiding is geweest voor een leidende functie in de politiek. Na zijn studie politicologie en rechten aan de VU in Amsterdam volgde al snel een ambtelijke bliksemcarrière, zodat hij op 31 jarige leeftijd directeur-generaal was op het ministerie van binnenlandse zaken. Twee jaar later werd hij minister van WVC, een functie die hij bekleedde tot 1989, het jaar dat hij door minister-president Lubbers werd aangewezen als CDA-fractievoorzitter.

Brinkman, opgegroeid in het protestantse Hardinxveld-Giessendam, gelooft niet dat hij is voorbestemd om verantwoordelijkheid te dragen. “Ik denk dat het je overkomt. Je kiest voor een bepaalde sector die je lekker vind. Dus ik heb bewust een studie politieke wetenschappen gedaan en staatsrecht. In de ambtenarij ben ik betrekkelijk toevallig van de ene stoel op de andere terechtgekomen. Toen Lubbers mij in 1982 belde voor het ministerschap, kende ik hem helemaal niet. Ik had hem geloof ik één keer een handje gegeven. Ook het fractievoorzitterschap heb ik echt niet geambieerd. Ik vind het wel een hele verrijking dat ik het gedaan heb, maar het is niet gegaan van: ik mot per se dít of dát.”

En nu, bij de Tweede Kamerverkiezingen van komende dinsdag, lijkt Brinkman de rol te gaan spelen van de klassieke tragische held, die onverbiddelijk zijn ondergang tegemoet gaat. Brinkman schiet in de lach als hem gevraagd wordt met wie hij zich het meest verwant voelt: met de overmoedige Icarus die neerstortte omdat hij te hoog wilde vliegen, of met de blinde zieneres Cassandra, die in ongenade viel omdat zij de ondergang van de stad voorspelde. Het CDA speelt in deze electorale tragedie volgens hem de rol van boodschapper. “We staan voor een periode van onzekerheid. Het CDA, met al zijn contacten in de samenleving, voelt dat als het ware het eerste in al zijn vezels aan. Ons bestuurlijk instinct zegt: als er onzekerheid is, kun je dat niet op zijn beloop laten maar je moet een koers zetten. Dus zeggen: let op de concurrentie in Azië, de houdbaarheid van het sociale stelsel, de afweging tussen milieu en economie. Dan kom je in de boodschappersrol als politieke beweging en als leider van die beweging. Nou ja, je weet wat er met boodschappers gebeurt: die vangen de eerste klappen op.”

Prof. Van der Meiden noemde onlangs deze tijd 'historisch' vanwege de ongekende machtsverschuiving die eraan lijkt te komen.

“Op dit moment zie je inderdaad dat de mensen het gevoel hebben dat er verandering moet komen. Anderzijds kijken veel mensen de kat uit de boom: zij wachten af welke de juiste koers is. Ik kreeg een telefoontje van iemand die zei: Als het ijs gaat kruien kun je het beste even op je eigen schots blijven staan om te bekijken waar het ijs zich weer zet. Je moet niet gaan springen, want dan kom je in het koude water terecht. Zo denken, geloof ik, heel velen. Ik zie een parallel met het klimaat halverwege de jaren zestig. Toen hing er ook iets in de lucht van alles moet anders. Het huwelijk van de kroonprinses en de rellen in Amsterdam waren aanleiding om de positie van de gevestigde autoriteiten grondig ter discussie te stellen. Als je terugkijkt is Nederland sindsdien niet wezenlijk anders geworden. Maar in die periode was er ook tijdelijk een vrij forse schommeling in het electoraat met veel politieke partijen in de Tweede Kamer.”

U studeerde destijds in Amsterdam.

“En ik verkeerde ook in verwarring. Ik kwam uit een beschermd milieu, zeg maar, met een heldere lijn, met een antwoord op alle vragen. En ineens werd daar via mijn studie een eindeloze reeks politieke theoriën op me afgevuurd. Ook in de kroeg of op mijn kamer had je van die eindeloze gesprekken. Er kwam zo veel aan waarheden en quasi-waarheden op je af, dat het kiezen ontzettend moeilijk werd. Het valt me op als je nu aan universiteiten komt dat het andersoortige discussies zijn. Wel het milieu en het vreemdelingenbeleid, maar niet meer de rotheid van deze maatschappij of de omwenteling van het systeem. Het is allemaal dichter bij het erf en meer sectoraal bepaald. Dat is wezenlijk verschillend met de sfeer destijds, toen overal Che Guevara aan de muur hing en het ging om de theorieën van Marx en Mao.”

Was u voor Che?

“Nee, en ook niet voor Mao. Maar Che was wel... eh...”

Een held?

“Ja, zoals iedereen zijn helden of quasi-helden had. In die tijd hingen heel veel foto's van helden op studentenkamers, die werden bijna vereerd als Mariabeelden. Nu zijn het eerder popsterren dan politieke sterren die vereerd worden.”

Betekent dat iets?

(Beslist) “Het is een teken van de tijd, van de consumptiecultuur.”

Of hebben politieke helden afgedaan?

“Nee, dat geloof ik niet. Kijk daar maar eens. (Hij wijst op een levensgrote foto van Mandela op de voorpagina van de krant die een campagne-medewerker in een belendende stoel zit te lezen.) Maar in Nederland wordt veel meer het gemiddelde gezocht, een nuancering, een gelijkschakeling. Er wordt ook niet geaccepteerd dat iemand er geweldig uitspringt en bewierrookt wordt. Dus een heldenrol is in de vaderlandse politiek niet onmiddellijk weggelegd. We zijn meer van: doe nou maar gewoon je werk, bestuur nu maar gewoon.”

Is politiek leiderschap een kwestie van karakter of van techniek?

“Een mengeling van beide. Karakter als het gaat om incasseringsvermogen, en om een levenshouding waar een zekere interesse van uit gaat.”

Hoe zou u uw eigen leiderschap typeren?

(Denkt lang na) “Relativerend, niet teveel poespas, sterk afhankelijk van de stemming in de groep. Geneigd veel aan de groep over te laten, maar op een gegeven moment ook te zeggen: nou jongens, niet teveel geneuzel. Ik heb een zekere irritatie over klein grut.”

Er zijn zaken waarop u vrij vinnig reageert.

(IJzig) “Zoals?”

Bijvoorbeeld toen radioverslaggever Cees Sorgdrager u onlangs hard aanpakte over uw omstreden commissariaat bij Arscop.

“Ik heb twee achilleshielen. De ene is eerlijkheid en de andere is gezin en familie. Dat raakt mijn wezen. Ik ben zeer transparant: ik hou geen dingen verborgen en ik ben toegankelijk. Ik hecht aan eerlijkheid. Elke cent die ik verdien meld ik aan, en er is naar mijn gevoel niets mee mis. Als iemand dan een sfeertje creëert van: dat is niet pluis, dan kom je aan mijn integriteit en dat laat ik dan ook merken.

“Kijk, ik heb een hekel aan luie mensen. Journalisten moeten zich in hun onderwerp verdiepen. Zij zijn toch een intermediair tussen hun onderwerp en de lezer of kijker. Gemakzucht, daar kan ik slecht tegen. Maar ik heb geleerd me een beetje te beheersen, dus ik ga er echt niet elke keer op in.

“Met incasseringsvermogen bedoel ik overigens niet alleen dat je tegen kritiek kunt en dat je daar geen slapeloze nachten van krijgt. Maar ook dat je er niet op moet rekenen dat je automatisch wordt toegejuicht in het land of in de Kamer wanneer je met een voorstel komt. Het gaat er dus niet om dat je niet onrustig moet worden van het feit dat men voortdurend aan je stoelpoten zaagt. Dat is een nevenverschijnsel.”

Een nevenverschijnsel? Inmiddels uiten velen binnen het CDA hun twijfel over uw leiderschap.

“Toen ik minister mocht zijn, hoorde ik met grote regelmaat dat ik zoveel in gesprek was en zo goed luisterde. Ik kon zo goed in teamverband functioneren en zo goed met mensen overweg. Ik hoorde dat ik bereid was niet alleen maar te zeggen 'dit is mijn mening en voer het zus en zo uit' maar lang de achterkant van het gelijk te beproeven en te betasten. Dan zeg ik: het is toch merkwaardig hoe het kan verkeren. Maar goed, dat hoort kennelijk ook bij het seizoen.”

U krijgt van alles de schuld?

“Dat is een beetje je rol als aanvoerder van de club, om op een gegeven moment alle kritiek in je te verzamelen.”

Ontleent een partijleider zijn gezag aan de steun binnen de partij, of aan het aantal stemmen dat hij op zijn naam weet te verzamelen?

“Als het gaat om de paar duizend mensen die het partijkader vormen, denk ik dat per saldo heel zwaar weegt, het gevoel van: is het er een van ons? Verstaat hij onze taal, weet hij waarom wij ons het vuur uit de sloffen lopen? Ik weet redelijk hoe het in het klein rechtse en protestantse kamp gaat. Maar je moet niet alleen dat verstaan, je moet ook in Limburg de bereidheid hebben om op zondagochtend met de lokale partijgenoten te gaan Frühschoppen. Het gevoel van bloedverwantschap bepaalt toch meer je positie dan dat je een procent meer of minder stemmen binnenbrengt, dat is meer de Haagse entourage.”

Nu heeft uw partijgenoot prof. Zijderveld betoogd dat u het verkeerde geloof heeft. Een katholieke CDA-leider zou beter kunnen buigen naar de verschillende vleugels van de partij.

“Ik vind dat een merkwaardig verwijt. In de protestantse traditie sta ik bekend als iemand van de lichte soort, met veel oog voor zowel de belangen van klein rechts als van de roomskatholieken. Ik realiseer me heus wel dat ik in protestantse traditie van een zekere rechtlijnigheid ben grootgebracht. Maar toch is het een gelegenheidsargument: als de lijsttrekker nu maar een katholiek was geweest zou het zoveel beter zijn gegaan. Daar geloof ik niet in.

“Zijderveld hinkt op twee gedachten in zijn redeneringen. Althans de schaarse keren dat hij zich uitlaat over het geheel, want op bijeenkomsten van de partij verschijnt hij niet of nauwelijks. Hij treedt zo nu en dan op als professorale goeroe en ja, als je eenmaal professor bent, dan ben je hoog gestegen. Maar het ene ogenblik zegt hij dat we opener moeten zijn om de twijfelaars erbij te halen. En het volgende moment, als er discussie is over wat nou precies de kern is van het CDA, dan zegt hij: je moet iemand hebben die de oorspronkelijke katholieke en protestantse wortels verstaat. En dan vindt hij het maar het beste dat je een katholiek neemt, want die verstaat de kunst van het schotsje springen beter dan een protestant. Het is van tweeën één: of je gaat je steeds meer open stellen voor een steeds wijdere kring van potententiële kiezers, of je probeert iets van de traditie levend houden. Op zich heb ik wel begrip voor het type discussie dat Zijderveld aanroert maar hij formuleert met het antwoord de vraagstelling mee.

“Als je het nou hebt over de ruggegraat van onze beweging, dan is dat er één die iets werkerigs heeft, altijd iets doenerigs. Maar wel vrij ongrijpbaar. Als je, zoals Zijderveld doet, op een hoog abstractieniveau bewegingen schetst, valt er altijd wel ergens een model te definiëren. Ik geloof echter niet dat hij daarmee het wezen van de vraagstelling binnen het CDA raakt. Onze beweging is best beschikbaar om mee te schuiven met de mensen en met de tijd. Tegelijkertijd willen onze mensen altijd iets houden van evenwicht en compromis. Ik heb het gevoel dat Zijderveld te snel doorredeneert naar een keuze voor een verdere openstelling, omdat dat de trend zou zijn van de tijd. Dan zeg ik: Nee, dat is een déél van de trend. Dan kijk je iets te weinig naar een aantal essentiële waarden: spaarzaamheid, zorgzaamheid, deugdzaamheid. Het is altijd een mengeling van verbouwen en bewaren.”

Bij de PvdA gaat men er vanuit dat het jaren duurt voordat de partij de huidige crisis te boven is. Hoe zit dat bij het CDA?

“Mijn schatting is dat onze structuur anders in elkaar zit. Daarom ben ik ook hoopvoller. In onze kring heeft altijd minder verwachting geleefd ten aanzien van wat de overheid vermag. Dus op het moment dat de overheid een aantal dingen niet blijkt te kunnen doen, is de teleurstelling minder groot. De PvdA is haar electoraat met een soort heilsboodschap tegemoet getreden. Dan blijkt natuurlijk als je eenmaal aan de macht bent dat dat niet allemaal lukt. Die teleurstelling is toch groter. Abstracter geredeneerd is dat ook het wezensverschil tussen sociaaldemocratie en christendemocratie: wij reageren van nature meer van onderop, terwijl bij de PvdA de staat toch veel meer iets overkoepelends en dirigerends heeft. Dat verklaart, denk ik, de relatief grotere frustratie bij die kant.

“Als ik nu zo door het land loop en met onze partijmensen spreek, ontmoet ik wel teleurstelling over het feit dat er misschien wat verlies is. Maar met de partij zelf is helemaal niets mis. Er zit meer een breder maatschappelijk ongenoegen onder, gericht tegen het type bestuurders van deze tijd. En die kom je overal tegen. In het ziekenhuis zie je ook meer grijze jassen dan witte, en bij Philips meer witte boorden en dan blauwe overalls. In zekere zin ben ik zelf ook een exponent van de grijze pakken-cultuur die de samenleving voor een deel in zijn greep genomen heeft.”

Daarom maakt de PvdA ook reclame met het feit dat onder de nieuwe Kamerleden een echte dokter zit, en een agent, en een professor.

“Ik ben zelf ook bewust op zoek geweest naar een huisvrouw, naar iemand van het boerenerf, iemand uit de ziekenfondswereld. We hebben er echt heel bewust voor gewaakt om nou eens niet weer kandidaten uit zo'n koepelorganisatie, uit die grijze pakken-wereld te selecteren. Er zit ergens een kortsluiting in de cultuur. De mensen willen weer iets meer de werkvloer aan de macht.”

De kans dat het CDA nu in de oppositie belandt is reëel aanwezig.

“Ik zal de oppositie niet mijden als hij me wordt aangeboden, maar het is niet echt iets om te ambiëren. Ik kan best hakken en breken als het moet, maar ik bouw toch liever. Vanuit onze cultuur van het zoeken naar de brug in plaats van de kloof, vind ik het streven naar de oppositie binnen mijn eigen partij een gevaarlijk soort houding.”

Welke invloed heeft alle turbulentie van de afgelopen tijd op uw gemoedstoestand gehad?

“We wisten dat we een inhoudelijk zwaar programma hadden. We wisten dat we alleen maar door herhaling draagvlak zouden kunnen creëren voor onze ingrepen. Hoe merkwaardig het misschien klinkt: de huidige toestand geeft een bevestiging van het zware tij dat we al vermoedden. We hebben serieus nagedacht over een campagne, waarin we ons wat meer op de vlakte zouden houden. Bij andere partijen leek dat ook even te lonen in de eerste dagen van de campagne; zij hadden geen last van moeilijke discussies. We hebben de toon gezet, door wel direct met een aantal stevige boodschappen op weg te gaan, en daarmee vang je ook de eerste klappen.”

Bent u daardoor beschadigd?

(Zachtjes) “Natuurlijk kom je er gebutst uit. Maar ik heb echt geen moment gehad dat ik dacht: waar zijn we aan begonnen. Wel zo iets: houdt het dan nooit op?”

Eind goed al goed?

“Ik denk het.”

U hoopt het.

“Ik denk het.”

    • Frank Vermeulen